Willem Elsschot

Willem Elsschot (Antwerpen, 7 mei 1882 – ald., 31 mei 1960) was een Vlaams romanschrijver en dichter (pseudoniem van Alfons-Jozef de Ridder). Hij produceerde slechts 750 pagina's proza, maar heeft een grote invloed gehad.

Levensbeschrijving

Elsschot is in Antwerpen geboren en was een zoon uit een bakkersgezin. Hij studeerde in Antwerpen onder meer aan de Antwerpse gemeenteschool in de Van Maerlantstraat, het atheneum en het Hoger Handelsinstituut, maar maakte zijn studies aan het atheneum niet af. Op het atheneum kwam zijn voorliefde voor de literatuur tot bloei. Hij oefende verschillende beroepen uit: niet enkel in Antwerpen en Brussel maar ook in Parijs en Rotterdam.

Vanaf 1912 werkte De Ridder voor het tijdschrift La Revue Continentale Illustrée, dat eigendom van zijn vriend Jules Valenpint, die model stond voor het personage Boorman. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ging dit door de economische omstandigheden in België op de fles.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog was hij secretaris van het Nationaal Comité voor hulp en voeding in Antwerpen.

Na de oorlog stichtte hij zijn eigen reclamebureau dat hij tot aan zijn overlijden bleef besturen. In die rol schreef hij onder andere een tekst met de titel "Lofzang op de mostaard" (eet mosterd van Tierenteyn Ferdinand / veruit de bekwaamste fabrikant / van ons beminde Belgenland). Hij was gespecialiseerd in gedenkboeken van bedrijven en winkeliersverenigingen. Elsschot hield niet van de reklamewereld. Vlak voor zijn dood in 1960 formuleerde hij het als volgt: "Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op een of andere manier van af moest komen. Ik moest wel reclame bedrijven, want van mijn pen heb ik nooit kunnen leven."

Met het huwelijksleven nam Elsschot het niet zo nauw, zo had hij tussen 1946 en 1951 een relatie met de dichteres Liane Bruylants. Volgens haar zou hij ook nog een andere relatie hebben gehad met een onbekende vrouw.

Alfons de Ridder was van 1942 tot 1960 de advertentie-acquisiteur van Snoecks.

Willem Elsschot overleed op 78-jarige leeftijd in zijn geboortestad Antwerpen en werd aldaar begraven op het Schoonselhof. Postuum werd hem ook de Staatsprijs voor de literatuur toegekend.

Elsschots werken zijn nog steeds geliefd bij een ruim publiek. Het dubbelwerk Lijmen/Het Been is in 2000 verfilmd door Robbe de Hert; in 2002 maakte Frank Van Passel een Engelstalige verfilming van Villa des Roses met een internationale cast. Ook Kaas werd verfilmd, in 1999, door Orlow Seunke.

In 2004 wilden drie kleinzonen delen van het archief van Elsschot verkopen. De dochter van Elsschot, Ida de Ridder en andere familieleden wisten dat via een kort geding in december 2004 te verhinderen. Zij vonden dat de nalatenschap bij elkaar moest blijven. Het archief van Elsschot was in beheer bij zijn oudste zoon Walter, bij zijn overlijden kwam het in handen van de kleinzonen, Walter, Fons en Christiaan de Ridder.

Werk

Willem Elsschot publiceerde zijn eerste gedichten in het tijdschrijf Alvoorder. Zijn echte loopbaan als schrijver begon in Rotterdam. Daar schreef hij Villa des Roses (1913), in een sterk door het naturalisme beïnvloede stijl. Zijn bekendste werken volgden in de jaren 20 en 30 : Lijmen (1924), Kaas (1933), Tsjip (1934) en Het Been (1938).

De werken Lijmen en Het been vormen samen een geheel. Elsschot zelf treedt hier op als Laarmans. In Lijmen leert Laarmans de kunst van het aansmeren van reclame aan argeloze personen. In het vervolg hiervan moet Laarmans het geld ophalen bij een weduwe, die nog steeds moet betalen voor stapels wereldtijdschriften, terwijl de klachten over haar been steeds erger worden. Dit tweede deel werd geschreven op verzoek van Menno ter Braak.

Centrale thema's die vaak in zijn boeken voorkomen zijn het zakenleven (Lijmen, Het Been en Kaas) en het gezinsleven (Tsjip en De Leeuwentemmer (1940)).

Een scherpe aanval op de totalitaire macht, die de Rooms-Katholieke Kerk uitoefende op het Vlaamse platteland, is het verhaal De Verlossing (1921). Vlak na de Tweede Wereldoorlog schreef Elsschot nog een van zijn meesterwerken: Het Dwaallicht (1946).

De werken van Elsschot laten zich opmerken door een teder cynisme en door nauwkeurige beschrijvingen van de omgeving. Het taalgebruik is nuchter, helder en zakelijk en doet ook vandaag nog opvallend modern aan. Elsschot schrijft nooit een woord te veel, en zijn complete oeuvre beslaat dan ook niet meer dan een achthonderdtal bladzijden. Elsschot heeft zijn visie op de kunst van het schrijven beknopt uiteengezet in de inleiding van de roman Kaas.

Omstreden was het gedicht over August Borms, de Vlaams-nationalistische collaborateur die werd terechtgesteld. Sommigen verwijten dit Elsschot, anderen zien het als een pamflet tegen de doodstraf. Elsschot schreef ook een gedicht gewijd aan Marinus van der Lubbe, opgedragen aan Simon Vestdijk die ook een gedicht over deze vermeende brandstichter van de Duitse Rijksdag schreef.

Citaten

  • Ik heb geleerd dat zwijgen niet verbeterd kan worden.
  • Voor de oorlog was een Vlaming slechts een sukkelaar zonder meer, omdat hij geen Frans kende, of een gek omdat hij 't wèl kende en tóch van die kennis in 't publiek geen gebruik maakte.
  • De term wereldtijdschrift.
  • Laat het stikken in zijn centen, in zijn kaas en in zijn krenten, in zijn helden als daar zijn: Tromp, De Ruyter en Piet Hein. (over Nederland, uit het gedicht over van der Lubbe)
  • Tussen droom en daad, staan wetten in de weg en praktische bezwaren. (Uit het gedicht: "Het Huwelijk")
  • Men kan proberen een brood te bakken, maar men probeert geen schepping. Men probeert ook niet te baren. Waar zwangerschap bestaat, volgt het baren van zelf, ten gepasten tijde.

Prijzen

  • 1948 - Driejaarlijkse Staatsprijs van België voor verhalend proza
  • 1951 - Constantijn Huygensprijs
  • 1960 - Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan