Adolf Hitler

Adolf Hitler (Braunau am Inn (Oostenrijk-Hongarije), 20 april 1889 – Berlijn, 30 april 1945) was een Duits politicus en dictator. Hij was de leider van het Duitse Derde Rijk. Tijdens zijn bewind stuurde hij doelbewust aan op een veroveringsoorlog: de Tweede Wereldoorlog. Tevens vonden onder zijn bewind de Holocaust en diverse andere genocides plaats. Hitler droeg hiervoor de eindverantwoordelijkheid.

In de Holocaust werden circa 6 miljoen Joden vermoord. Hoewel Hitler nooit veroordeeld is voor oorlogsmisdaden omdat hij zelfmoord pleegde voor hij terecht kon staan, wordt hij over het algemeen beschouwd als een van de grootste oorlogsmisdadigers in de geschiedenis van de mensheid.

Inleiding

Hitler vertrok vanwege zijn Groot-Duitse sentimenten in 1913 naar Duitsland en wel naar de Beierse stad München. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak meldde hij zich direct als vrijwilliger aan en werd ingedeeld bij het Beierse leger. In de oorlogsjaren (1914-1918) vocht hij vier jaar lang mee als ordonnans in de rang van Gefreiter (ongeveer gelijk aan korporaal), de op één na laagste rang. Het Duitse 16e Beierse reserve-infanterieregiment waarbij hij diende kwam onder meer in actie bij de Slag om Ieper. Hij raakte meerdere malen gewond, kreeg beide versies van het IJzeren Kruis en zwaaide uiteindelijk slechts af als Gefreiter omdat zijn meerderen vonden dat hij leidinggevende kwaliteiten ontbeerde; iets dat Adolf zeer frustreerde. In november 1918 besloot hij de politiek in te gaan. Die gelegenheid deed zich voor in 1919 toen hij zich aansloot bij de Duitse Arbeiderspartij (DAP), één van de vele kleine politieke groeperingen uit die tijd.

Hitler kwam aan de macht in een tijd waarin het Duitse volk leed onder werkloosheid, armoede en andere gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. Door het Verdrag van Versailles werd Duitsland gedwongen tot het doen van herstelbetalingen voor de geleden oorlogsschade. Deze verplichting drukte zwaar op het land. Toen bovendien in 1929, net toen Duitsland wat begon op te krabbelen, de beurskrach van New York ook de Duitse economie deed ineenstorten, greep Hitler zijn kans. Via een gesmeerde propagandamachine wist hij zichzelf en zijn partij zeer populair te maken en won steeds meer zetels in het parlement.

Na zijn verkiezingsoverwinning in 1933 werd hij benoemd tot rijkskanselier van Duitsland. In 1939 gaf hij het bevel Polen binnen te vallen, waarop het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk aan Duitsland de oorlog verklaarden. In 1945 pleegde hij zelfmoord in Berlijn.

Jeugd en algemene gegevens

De vader van Adolf Hitler, Alois, werd in 1837 geboren als de onwettige zoon van Maria Anna Schicklgruber en kreeg daarom de naam van zijn moeder. Vijf jaar later huwde Maria Anna met de molenaarsknecht Johann Georg Hiedler die waarschijnlijk ook de biologische vader van Alois was. De naam van Alois Schicklgruber werd later veranderd (op 23 november 1876) in het op Hiedler gelijkende Hitler, door een spelfout. Later zou zijn zoon Adolf in het boek Mein Kampf (Mijn strijd) vermelden dat dit het enige was waar hij zijn vader dankbaar voor was. Heil Hitler klonk immers veel beter dan Heil Schicklgruber![1]

Zowel van vaders- als moederskant was de familie van Adolf Hitler afkomstig uit het Oostenrijkse Waldviertel, een streek tussen de Donau en het huidige Tsjechië (de naam 'Hitler' zou eventueel van Tsjechische oorsprong kunnen zijn).

Behalve Johann Georg Hiedler duiken er ook nog twee andere mannen op die mogelijk de vader van Alois zouden kunnen zijn geweest, te weten een boer genaamd Johann Nepomuk Hüttler en (maar dit is onzekerder) een Jood genaamd Frankenberger uit Graz waar Maria Anna Schicklgruber een tijdje bij in de huishouding had gewerkt.

Adolf Hitler had drie broers, een halfbroer, Alois Hitler jr., twee zusters en een halfzuster, allen kinderen van Alois Hitler. De drie broers en een van de zussen overleden op jonge leeftijd.

Hitlers zuster Paula Hitler (1896-1960) leidde een teruggetrokken bestaan en overleed in Berchtesgaden.

Hitlers halfzuster Angela Hitler (1883-1949) was gehuwd met Leo Raubal en had voor zover bekend een zoon en twee dochters. De oudste dochter van Angela Hitler oftewel Angela Raubal, die dezelfde naam droeg maar de bijnaam Geli had, zou later een relatie met haar oom Adolf Hitler krijgen en pleegde op 18 september 1931 zelfmoord.

Hitlers halfbroer, Alois Hitler jr., werd caféhouder in Berlijn. Hij werd omschreven als een 'gezellige mollige kroegbaas, die in niets op zijn beroemde halfbroer geleek'. Hij leefde in angst dat deze beroemde (en ijdele) halfbroer uit schaamte zijn tapvergunning zou intrekken.

Hitler was een vrij teruggetrokken persoon, en leed zelfs aan verlegenheid. Dit stond in schril contrast met zijn latere discussiebereidheid, waarin hij steevast trachtte zijn gelijk te behalen. Dagdromen was een van zijn favoriete bezigheden. Dit was een van de redenen dat Hitler stelselmatige arbeid verafschuwde: het hield hem van het dagdromen en hij voelde zich er bovendien te goed voor. Zelfkritiek was hem vreemd: anderen waren vaak de oorzaak van hetgeen hem overkwam. Ondanks het feit dat hij enkele jeugdvrienden had, voelde hij zich bij veel mensen nauwelijks of niet op zijn gemak. 'Honden zijn mijn enige vrienden', zei hij eens.

Tijdens zijn tienerjaren overleed zijn autoritaire vader; met zijn moeder had hij een sterke band. In zijn kinderjaren was hij koorknaap en misdienaar in de Rooms-Katholieke Kerk. Op de basisschool deed Hitler het niet slecht. Hij was een levendige schooljongen maar hij was niet goed in staat regelmatig te werken, iets wat hem in zijn verdere leven parten is blijven spelen.

Op de middelbare school daarentegen kon Hitler niet goed meekomen. Hij had vanwege zijn afstandelijke gedrag en zijn verlegenheid (met name tegenover vrouwen) weinig of geen vrienden. Het enige vak waar hij daadwerkelijk goede beoordelingen voor kreeg, was tekenen. Zijn slechte schoolprestaties schreef hij toe aan zijn leraren, die hij als 'erudiete apen' omschreef, behalve zijn geschiedenisleraar, die hij verafgoodde (de liefde werd niet met goede cijfers beantwoord: 'matig' tot 'ruim voldoende' was het hoogste dat hij behaalde). In zijn puberteit werd de jonge Adolf ook voor het eerst en voor het laatst in zijn leven dronken. Een melkmeisje vond hem 's ochtends en bracht hem naar huis. Toen hij was bijgekomen zwoer hij nooit meer te drinken. Daar hield hij zich aan, op later een enkel glas wijn na. Ook werd hij vegetariër, al beweren sommige biografen dat dit tijdelijk op doktersadvies was, of dat hij in die periode af en toe toch vlees at.

Wenen

Het was Hitlers ambitie om kunstschilder te worden en hij toog in 1907 naar Wenen om zich in te laten schrijven bij de kunstacademie. De kunstacademie waarbij hij zich aanmeldde wees hem echter af. De directeur suggereerde hem weliswaar om architect te worden, maar dit betekende wederom datgene waar hij een gruwelijke hekel aan had: regelmatig werken. In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog verdiende hij de (karige) kost met allerlei kleine baantjes, wat werk als ongediplomeerd kunstschilder en een wezenuitkering. Dit leverde weinig op en daarom overnachtte hij dikwijls in een daklozenpension. Het feit dat hij mislukt was schreef hij toe aan de kunstacademie die zijn talent miskende en de leraren die het onderwijs hadden verpest. Dat zijn eigen luiheid er misschien debet aan was heeft hij nimmer erkend, want zelfkritiek was hem vreemd. Hij beschilderde noodgedwongen ansichtkaarten met landschapjes en verkocht die om toch nog wat geld voor zijn levensonderhoud te krijgen.

Vaak bracht hij zijn tijd al lanterfantend door waarbij hij zich een hartstochtelijk kranten- en tijdschriftenlezer betoonde. In deze periode vormde hij (mede door allerlei contacten) zijn ideologische basis, bestaande uit antisemitisme, antiparlementarisme en Groot-Duits nationalisme; ook keek hij neer op de Slavische volkeren. Hitler bezocht verschillende keren het Weense parlement, waar hij grote verachting en haat ontwikkelde voor de democratie. Het versterkte zijn haat en weerzin tegen de invloed van Joden in politiek en samenleving.

De Britse historicus Ian Kershaw geeft in zijn uitgebreide Hitlerbiografie aan dat het niet duidelijk is waardoor de Jodenhaat van Hitler eigenlijk ontstaan is. Hij had aanvankelijk Joden in zijn kennissenkring maar in korte tijd werd hij toch een fanatiek antisemiet.

Anti-Slavische en antisemitische stromingen waren in Wenen, evenals in Sudetenland en Silezië, in opkomst, als reactie op het toenemende Slavische zelfvertrouwen. De Joden werd het kwalijk genomen dat zij als fabrieksbazen Slavische arbeiders in dienst namen, die hiertoe naar steden als Praag, Posen, Pressburg en Wenen trokken en het Duitse karakter van deze steden ondermijnden. De jonge Adolf was al in Wenen onder de indruk gekomen van het antisemitisme waarmee de toenmalige burgemeester, Karl Lueger, aan de macht was gekomen. Ook de antisemitische beweging van Georg von Schönerer heeft invloed gehad op de jonge Hitler. Tijdens zijn jaren in Wenen en later in München, waar hij volgens eigen zeggen graag mensen en hun gedrag observeerde, nam zijn overtuiging de vorm aan die hij later in al zijn extremiteit zou etaleren.

In discussies met andere bewoners van het Weense 'mannenhuis' waar hij af en toe woonde bracht hij zijn standpunten compromisloos naar buiten. Hij praatte om anderen te overtuigen van de juistheid van zijn visie, was altijd bereid tot discussiëren, en hij bleek radicaal en zwart-wit in zijn denken. Opvallend was toen al dat Hitler niet tegen inhoudelijke kritiek op zijn denkbeelden kon en begon te schreeuwen als hij dreigde een discussie te verliezen.

Ook ontwikkelde hij in Wenen een sterk Duits nationalistisch gevoel, zoals veel Duitsers in Oostenrijk dat kenden. In zijn denken zou een aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland een zegen voor dat land zijn. Hij zag in het heersende Habsburgse huis een teveel aan schadelijke Slavische, dus on-Duitse, invloeden. Ook in het bolsjewisme, marxisme en communisme zag hij een groot kwaad dat bestreden moest worden.

Waarschijnlijk vormde zich in Wenen reeds de kern van Hitlers grote ideaal: de idee van 'Eén leider (Adolf Hitler), één wil (die van hemzelf), één volk (het Duits-Arische)'. Al vroeg in zijn politieke carrière, vanaf 1925 ongeveer, liet hij zich der Führer (de leider) noemen. Hij droomde van het Derde Duitse Rijk (het Dritte Reich), waarin geen plaats zou zijn voor Joden en andere door hem verderfelijk geachte groepen in de samenleving (onder andere homoseksuelen), maar waar Duitsers in harmonie en verenigd onder één leider zouden bouwen aan hun toekomst. Later werd duidelijk dat hij in feite absolute wereldheerschappij verlangde, waarin de Duitsers het machtigste volk zouden zijn. De omvang van deze grootheidswaan groeide met zijn succes.

In zijn rassentheorie verheerlijkte Hitler het Arische ras, waarvoor hij Lebensraum (leefruimte) wilde creëren; daarvoor had hij vooral het grote Rusland in gedachten. Hij verheerlijkte het idee van de 'edelgermaan'. Wat Joden betreft stond hij erop hen een 'ras' te noemen; dit paste bij zijn zuiver/onzuiver-bloedtheorie. Hij beschouwde Joods bloed als het 'gif' van de samenleving, wat daaruit geëlimineerd zou moeten worden. Sommige Hitlerverklaarders noemen dit zijn mystiek. Anderen benadrukken meer prozaïsche verklaringen zoals zijn uitgesproken afkeer van het zogenaamde 'Joodse kapitalisme', zonder dat hij daar specifiek namen bij noemde. Hij creëerde in elk geval een zeer haatdragende en schampere karikatuur van 'de Jood' en vuurde dat af op zijn publiek.

Feit is wel dat het antisemitisme in die tijd al leefde onder de (niet alleen Duitse) bevolking. Adolf Hitler heeft daar onder andere met de hierbovengenoemde karikaturen van Joden en door zijn grote redenaarstalent handig op in weten te spelen.

München

In de lente van 1913 emigreerde Adolf Hitler naar München in het Zuid-Duitse koninkrijk Beieren. Hij ontsnapte daarmee aan de militaire dienst in Oostenrijk. Lafheid was dat waarschijnlijk niet, want toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, nam hij onmiddellijk enthousiast dienst in het Duitse leger. Een waarschijnlijker reden voor deze overstap was dat hij voor Oostenrijk geen zelfstandige rol meer zag weggelegd; toen al was in zijn denken aansluiting bij Duitsland een onontkoombaar feit.

Eerste Wereldoorlog

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd in Duitsland in het algemeen en ook door Hitler met enthousiasme begroet. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Hitler, die als dienstklopper werd gezien, als een vreemde eend in de bijt beschouwd. Hij verkreeg de functie van ordonnans, waarbij hij met gevaar voor eigen leven bevelen naar de voorste posten van het Westelijke loopgravenfront bracht. Dat hij inderdaad geen lafaard was bleek uit de onderscheidingen die hij hiervoor kreeg. Voor zijn dappere inzet kreeg Hitler reeds in december 1914 het IJzeren Kruis 2e klasse.

In mei 1918 kreeg hij een Regimentsdiploma wegens dapperheid tegenover de vijand, en in december 1918 werd hem het, aan manschappen zelden verleende, IJzeren Kruis 1e klasse verleend. In 1918 raakte hij als Gefreiter (korporaal) bij een gasaanval gewond. Hij was verblind door het gifgas, dat duurde drie maanden. De ineenstorting van het Westelijke front o.a. door toedoen van de Amerikaanse interventie en de uitputting van de laatste Duitse reserves, heeft Hitler, die toen in een militair ziekenhuis in Pasewalk werd verpleegd, niet meegemaakt; hij ging er daardoor van uit dat het front steeds stand had gehouden. Zo geloofde Hitler heilig in de dolkstootlegende waarbij de nederlaag van het Keizerlijk leger werd toegeschreven aan het verraad van de socialisten, Joden, communisten en republikeinen (de zgn. Novemberverbrecher). Ondanks de indrukwekkende staat van dienst van korporaal Hitler is hij nooit bevorderd. Men vond dat hij leidinggevende kwaliteiten daarvoor ontbeerde.

1918-1933

Tijdens de Sovjetopstand in München en de vestiging van de zogenaamde Beierse Radenrepubliek in 1919 heeft Adolf Hitler mogelijk deelgenomen aan het oproer. Een document met de naam Hittler (met 2 t's) doet dit vermoeden, al is er nog veel discussie tussen academici omtrent dit omstreden onderwerp. Hoe dan ook, het Freikorps kwam München ontzetten, en de communistische opstand werd in de kiem gesmoord. Opeens dook Hitler op als infiltrant van het leger. Het was in die hoedanigheid dat hij vanaf dat ogenblik bijeenkomsten van kleine politieke groepjes bijwoonde, die als paddenstoelen uit de grond schoten na de val van het keizerrijk.

In 1919 kreeg Hitler als infiltrant de opdracht een vergadering van zo'n kleine, mogelijk linkse partij, bij te wonen. Dit was de DAP, de Deutsche Arbeiterpartei, waarvan het woord 'Arbeiter' al voldoende was hen in de ogen van het leger verdacht te maken. De toen nog piepkleine partij was opgericht door onder meer de spoorwegbeambte Anton Drexler. Zij vergaderde in een bedompt café, waar slechts ca. 100 belangstellenden aanwezig waren. Tot Hitlers verrassing bleek de partij nationalistisch, maar verder was het een armzalig zooitje. Het aantal leden bedroeg nog geen 500, waarvan misschien 50 actief waren, en het batig kassaldo bedroeg ongeveer 50 Reichsmark. Net toen Hitler aanstalten maakte om weg te gaan, maakte een 'professor' opmerkingen die Hitler razend maakten. Hij nam het woord en sprak de vergadering heftig toe, tot de professor vertrok. Hierop liep Hitler tevreden weg. Anton Drexler rende achter hem aan en gaf hem wat pamfletten, met het verzoek (bestuurs)lid te worden. Na een nacht nadenken stemde Hitler toe en sloot zich bij de partij aan.

Vanwege zijn organisatorische en retorische gaven rees zijn ster snel. Hij wist hoe hij een massa toehoorders moest raken en hypnotiseren, dit in tegenstelling tot zijn onhandigheid in kleine kring. Daarnaast begon hij direct pamfletten te laten drukken, die hij desnoods zelf verspreidde. De volgende bijeenkomst was dubbel zo groot als de eerste, al snel volgden bijeenkomsten in zalen met 2000 man en meer. De schamele financiën werden opgekrikt door 1 Mark entree te vragen voor bijeenkomsten. Toen de partij groeide werd een reguliere contributie ingevoerd. Binnen enkele jaren werd Hitler van een 'niets' een publiek 'iets'. Nu begonnen ook rijkere conservatieve Münchenaren aan de partij te doneren. Het ligt voor de hand te concluderen dat hij door deze gave om macht over mensen uit te oefenen ook in eigen ogen steeds groter werd. In 1921 werd hij leider van de partij.

Een bewaard gebleven brief van hem uit 1919 getuigt ervan dat toen al iets van een 'verlosser'-idee in hem aanwezig was: dat hij, Adolf Hitler, de enige was die Duitsland naar een 'wedergeboorte' kon leiden. Ook later zei hij meermalen dat hij geloofde door het 'lot' te zijn voorbestemd voor zijn rol in de geschiedenis. In zijn laatste jaren versterkte zich die overtuiging alleen maar; het was Hitler of de chaos; hij vereenzelvigde Duitsland met zijn eigen levenslot.

Misschien wel de belangrijkste reden die Hitler aangaf voor zijn beslissing politiek actief te worden, was de linkse Novemberrevolutie van 1918, waarmee de adellijke regenten, inclusief de Duitse keizer Wilhelm II, van hun macht werden ontdaan. Voor veel Duitsers was dit moeilijk te verteren en de democratische Weimarrepubliek van 1919 ondervond dan ook veel tegenstand. Bovendien had naar Hitlers overtuiging deze revolutie Duitsland definitief de nederlaag bezorgd. Hij zag het als zijn missie dat weer recht te zetten. De oorlog die hij in 1939 begon was voor hem een voortzetting van de Eerste Wereldoorlog, om Duitsland alsnog de overwinning te bezorgen over het 'internationale Jodendom'.

Al decennia lang waren elementen van het nationaal-socialisme aanwezig in Duitsland, Oostenrijk en ander Europese landen: nationalisme, anti-marxistisch socialisme, biologisch antisemitisme, sociaal-darwinisme, racisme, eugenetica. In Duitsland en Oostenrijk ontwikkelden zich populaire Teutoonse varianten van deze elementen, met name antisemitisme, antiliberalisme en antikapitalisme. Dit ging gepaard aan een extreme vorm van nationalisme, het zogenaamde völkische nationalisme, met zijn mystieke eigenschappen van een harmonische Duitse sociale en hiërarchische orde.

Alleen al in München bestonden in 1920 ten minste 15 völkerische verenigingen, de meeste opgericht na de oorlog (b.v. de Thule Gesellschaft; de Nordische Vereniging). Het waren, net als de DAP in het begin, kleine, onbeduidende groepjes, maar ze verspreidden met elkaar een ongelofelijke hoeveelheid propagandamateriaal. Ook werden er op nationaal niveau pogingen gedaan deze groepen te bundelen.

In het Sudetische Trautenau bestond sinds 1904 al een nationaal-socialistische partij, die eerst evenals Hitlers partij de Deutsche Arbeiterpartei heette, en na de Eerste Wereldoorlog haar naam veranderde in de Duitse Nationaalsocialistische Arbeiderspartij, de DNSAP. Ook de partij van Hitler veranderde van naam en werd de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP).

Contacten tussen de twee partijen mondden uit in een samengaan begin jaren '20. Maar de NSDAP bleek in 1923 superieur en in 1926 werden ze samengevoegd tot één partij, de NSDAP met een Oostenrijkse en een Duitse tak. Hitler werd de enige leider van beide afdelingen.

Ondanks interne partijstrubbelingen lukte het Hitler de macht te behouden. Door onder meer agressieve publiciteit en Hitlers sprekerstalent groeide het aantal toehoorders spoedig tot enkele duizenden per avond. In plaats van cafés werden nu grote bierhallen afgehuurd voor de samenkomsten en spreekbeurten.

De partijaanhang groeide en daarmee de hoop op verandering. Op 9 november 1923 werd op aandringen van Hitler een slecht georganiseerde poging gedaan de macht in Beieren te grijpen en daarna de Republiek van Weimar omver te werpen. In feite zag Hitler zelf weinig in de couppoging, maar hij was waarschijnlijk bang dat zijn achterban anders zou overlopen naar een partij die wel bereid was tot actie. Deze Bierkellerputsch, zoals hij genoemd wordt, begon in een bierhal. Daar stelde Hitler, zwaaiend met een pistool, de nieuwe 'regering' aan de enthousiaste toehoorders voor, terwijl gewapende groepen mannen strategische gebouwen en instellingen in de stad trachtten te veroveren. Ook Ernst Röhm nam deel aan deze Putsch, die mislukte en waarbij veertien coupplegers en vier politiemensen omkwamen. Hitler werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenschap, die hij uitzat in de gevangenis van Landsberg. Al na een jaar, op 20 december 1924, werd hij vrijgelaten.

Hij benutte die tijd met het schrijven van Mein Kampf (Mijn strijd). In dit autobiografische boek beschreef hij zijn afkomst en jeugd, zijn tijd in Linz, Wenen en München, de vorming van zijn denken, zijn ideeën en zijn toekomstplannen.

Al enkele maanden na zijn vrijlating in 1924 werd het spreekverbod op de partij in München opgeheven. Waar het verbod op de partij nog wel bestond, en dat gold in het begin voor vrijwel heel Duitsland, werd door middel van gewelddadige provocaties geprobeerd 'het nieuws te halen'. Dat lukte vaak. Desondanks werd het verbod in de ene na de andere deelstaat opgeheven. In de media werd steeds meer macht veroverd. Eind jaren '20 kon de NSDAP uitgroeien tot een grote landelijke partij.

Aan de macht

Voor Hitler, als leider van de Nationaalsocialistische Arbeiderspartij, was toen de weg vrij voor deelname aan de verkiezingsstrijd. Aanvankelijk ging dit niet van een leien dakje. De partij wist aanvankelijk wel rond de dertig zetels in de Rijksdag te bemachtigen, maar dit werden er bij elke verkiezing minder. Ook was de groei van het ledental beneden verwachting. Dit was te wijten aan het Amerikaanse geld dat in het kader van het Dawes-plan Duitsland binnenstroomde, en de economische hoogconjunctuur. De Fransen vertrokken uit het Ruhrgebied, de nieuwe Rentenmark bleek waardevast, en de Duitse economie groeide weer. Langzaam sijpelde wat welvaart door naar de middenklasse, en men keerde zich af van extremistische partijen, en stemde weer op de traditionele partijen zoals de SPD, DVP en Zentrum. In 1928 kwam de partij met 12 zetels in het parlement: een dieptepunt.

De crisis van 1929, ontstaan door de Beurskrach, breidde zich echter uit naar Duitsland. Een golf van faillissementen deed de werkloosheid explosief stijgen. De rijksregering moest impopulaire maatregelen nemen met toepassing van artikel 48 van de Grondwet, waarna zij direct in nieuwe verkiezingen werd afgestraft. De NSDAP kwam met 107 zetels terug in het parlement. In 1932 waren dat er al 232, hoewel Hitler bij de presidentsverkiezingen geen meerderheid van stemmen behaalde. Veel kopstukken uit de politiek en het bedrijfsleven wilden desondanks, of wellicht dankzij dat feit, toch met Hitler praten. Men zag een communistische regering als een groter kwaad dan een nazi-regering. De partijschulden werden door het bedrijfsleven betaald (de partij was vrijwel failliet), en men begon een lobby bij de rijkspresident. In januari 1933 raakte Duitsland door een serie complotten bijna onbestuurbaar. Kurt von Schleicher en de communisten loerden op kansen een junta of een radenrepubliek te vormen op legale of illegale wijze, en ieder kabinet zonder de nazi's viel.

In 1933 werd Hitler ten slotte door de toenmalige rijkspresident van de Weimarrepubliek, Paul von Hindenburg benoemd tot Rijkskanselier. Hindenburg was van diverse zijden onder druk gezet om Hitler tot Rijkskanselier te benoemen en gaf tenslotte toe. In die tijd kocht Hitler het chalet 'Haus Wachenfeld' (later de Berghof genoemd) op de Obersalzberg nabij Berchtesgaden: daar bouwde Adolf Hitler zijn tweede machtscentrum. De impact van zijn woonplaats op de Obersalzberg was enorm.

Hindenburg overleed in 1934. Vanaf toen verzwakte Hitler de rol van parlement en regering tot het punt dat hij dictatoriale macht had. In 1938 eigende Hitler zich tevens het opperbevel van de Duitse Wehrmacht toe. Hij verstevigde zijn positie verder met behulp van onder andere Heinrich Himmlers Gestapo en een goed georganiseerd propagandanetwerk, dat onder leiding stond van Joseph Goebbels. Naast propaganda zag Hitler terreur als een pilaar van de macht. Vanaf de oprichting van de partij tot aan de ondergang was geweld een veelgebruikt middel om oppositie de mond te snoeren. Waren de knokpartijen in het begin soms meer bedoeld om de krant te halen en tegenstanders te intimideren, later ging men over tot regelrechte moord op mensen die openlijk tegen Hitler en het nazisme in het geweer kwamen. Hitler vond het belangrijk ook de straat te beheersen.

Nadat Hitler aan de macht gekomen was ging hij over tot de uitvoering van zijn plannen, waaronder de aanleg van een groot Duits wegennet, waar zijn voorganger Franz von Papen al de aanzet toe gegeven had. Hij bezorgde daarmee in één klap honderdduizenden Duitsers weer werk, waardoor zijn populariteit bij de Duitse arbeiders alleen maar toenam. In 1935 opende hij tussen Frankfurt en Darmstadt de eerste autobahn in Duitsland. Dit betrof ondermeer de Linksrheinische en de Rechtsrheinische autobahn. Een jaar eerder (in 1934) had hij Ferdinand Porsche de opdracht gegeven om een Kraft durch Freude-wagen te ontwerpen, een wagen voor het volk (de Volkswagen).

Een ander actiepunt was de uitbreiding van de ontwikkeling en productie van wapens en ander oorlogstuig. In 1942 zou hij rijksarchitect Albert Speer benoemen tot rijksminister voor bewapening en munitie. Ook na 1943, toen de militaire kansen in de oorlog gekeerd waren, bleef Hitler optimistisch geloven dat nieuw ontwikkelde wapens als een nieuw type vliegtuig, een nieuw type tank en de V-1- en V-2-wapens de rollen weer zouden omdraaien.

Hitler verordonneerde ook georganiseerde moord op geestelijke en lichamelijke gehandicapten. Het zogenaamde T-4-euthanasieprogramma. Er zijn door Hitler ondertekende documenten overgeleverd waaruit blijkt dat hij deze actie goedkeurde. Pas in 1940 klonken de protesten daartegen zo luid, dat het programma werd gestopt, maar toen had het regime al honderdduizend gehandicapten 'weggezuiverd'.

Weg naar de Holocaust

Meteen na zijn aantreden verschenen in openbare ruimten de eerste bordjes 'Voor Joden verboden'. Beroepsverboden werden uitgevaardigd en huwelijkswetten aangepast. Vanaf 1935 (de 'wetten van Neurenberg') was het voor een Jood verboden om te trouwen met een niet-Jood. Steeds meer Duitse Joden gingen over tot emigratie. Anderen werden opgepakt en naar 'werkkampen' gestuurd, wat later de concentratiekampen bleken te zijn. Een van de meest antisemitische Hitlergetrouwen was Julius Streicher, die zich al in de jaren '20 ontpopte tot een vurig propagandist van de haat tegen Joden, waar Hitler dankbaar gebruik van maakte.

In de Poolse hoofdstad Warschau werden de daar wonende Joden in een getto bijeengedreven en later afgevoerd naar de concentratiekampen. Overigens werden ook in totaal een miljoen Polen naar werkkampen getransporteerd, en werden uit alle bezette gebieden in totaal 6 miljoen mannen tussen de 18 en 45 jaar gedwongen tewerkgesteld in de Duitse oorlogsindustrie. Dit werd de Arbeitseinsatz genoemd. De rechters van Neurenberg noemden het later 'slavernij'. Tijdens de Wannseeconferentie (januari 1942), waar Nazileiders bijeen waren gekomen om tot oplossing (Endlösung) van het 'Jodenvraagstuk' te komen, werd besloten om de circa 10 miljoen Europese Joden systematisch om te brengen. De organisatie daarvan werd in handen gegeven van Reinhard Heydrich en Heinrich Himmler, de administratie aan Adolf Eichmann en de uitvoering aan de talloze officieren, militairen en burgers die door de jaren heen voldoende waren getraind en gehard. Zigeuners, homoseksuelen, Jehova's getuigen en andere groepen mensen die als ongewenst werden beschouwd ondergingen hetzelfde lot.[2]

De Holocaust zelf was in de omgeving van Hitler een taboe. Een directe opdrachtsrelatie tussen Hitler en de Holocaust is tot op heden niet gevonden. Het Derde Rijk opereerde sterk op het 'de Führer tegemoet werken': dingen doen waar geen opdracht voor gegeven was maar waar wel de ruimte voor was gegeven en waarvan verondersteld werd dat dit in de geest van de Führer was (aldus Hitlers biograaf Ian Kershaw). Zo kon Hitler (voor zichzelf) schone handen houden. Hitler is nooit in Auschwitz, Buchenwald of Treblinka geweest. Hij nam zelf niet actief deel aan de Endlösung. Hoewel hij in de ogen van de buitenwereld voorzichtig leek te manoeuvreren, heeft hij over zijn bedoelingen ten aanzien van de Joden nooit twijfel laten bestaan. Ontelbare keren heeft hij de woorden 'vernietiging' en 'wegvagen' uitgesproken, waarvan tallozen getuige zijn geweest.

Voorbereiding op oorlog

Hitler stuurde doelbewust aan op een oorlog. Hij sloot een pact met de Italiaanse fascistische dictator Benito Mussolini. Deze liaison werd de As genoemd. Ook Japan verklaarde zich solidair met Duitsland. De drie landen werden de Asmogendheden genoemd.

Op 7 maart 1936 werd het Rijnland herbezet, in 1938 gevolgd door de Anschluss, feitelijk de annexatie van Oostenrijk en (het Tsjechische) Sudetenland. De internationale gemeenschap reageerde tot Hitlers eigen verbazing slechts met diplomatiek geschut. De Britse premier Neville Chamberlain kwam zelfs op bezoek om een vriendschapsverdrag te tekenen. Aangemoedigd door de lauwe reacties van de internationale gemeenschap annexeerde Hitler vervolgens de rest van Tsjecho-Slowakije en inderdaad: er werd nauwelijks hiertegen geageerd door het buitenland. In 1939 sloot Hitler met de dictator van de Sovjet-Unie Josef Stalin een niet-aanvalsverdrag, het Molotov-Ribbentroppact, waarbij in een geheime clausule al een overeenkomst over de verdeling van Polen stond.

Tweede Wereldoorlog

Nadat Hitler zonder militaire tegenreactie het Rijnland, Oostenrijk en Tsjechië had kunnen annexeren, verwachtte hij dat ook een aanval op Polen slechts tot wat diplomatieke strubbelingen zou leiden. Maar dit keer vergiste hij zich want enkele dagen na de inval in Polen verklaarden het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk aan Duitsland de oorlog, waarmee de Tweede Wereldoorlog een feit was. Om geallieerde interventie, en vooral van Engeland, voor te zijn bezetten de Duitse legers tien Europese landen tijdens de zgn Blitzkrieg. Inbegrepen waren onder andere Noorwegen, Denemarken, Nederland, België en Frankrijk. Tot ieders verbazing, inbegrepen de Duitse generaals zelf viel Frankrijk al binnen een goede maand: de nieuwe taktiek van de Blitzkrieg, overwicht in de lucht waarop pantsertroepen snel kunnen oprukken, bleek boven ieders verwachting zeer goed te werken. Plannen voor verovering van Rusland en het Kaukasusgebied met Bakoe, om vandaar door te stoten naar Iran en Irak, om daarmee de olievoorraden te beheersen, lagen eveneens klaar. Hongarije, de Balkan en Griekenland waren inbegrepen in de aanvalsplannen. Maar Hitler wilde geen twee-frontenoorlog en probeerde eerst Engeland uit te schakelen.

Iedereen verwachtte dat dat slechts een kwestie van tijd zou zijn maar de Engelsen wisten boven verwachting toch stand te houden. Nog een tegenvaller voor Hitler was dat zijn 'vriend' Mussolini, aangemoedigd door Hitlers successen in West-Europa, ook op veroveringspad ging in Afrika en op de Balkan. Maar deze was daarin niet erg succesvol en toen de Grieken hem zelfs dreigden te verslaan was Hitler gedwongen om in te grijpen. Hierdoor moesten de Duitsers zelf de Balkan veroveren en de in het nauw gedreven Italianen in Noord-Afrika ontzetten. De Duitse veldtochten in Noord-Afrika, tot in Egypte toe, werden aangevoerd door generaal Erwin Rommel. Na aanvankelijk wisselende successen en nederlagen van de Duitsers respectievelijk de Britten in Afrika bleken de Britten onder leiding van Montgomery bij Al Alamein toch de sterkeren.

Toen ook duidelijk werd dat de Luftwaffe de hemel boven Engeland niet onder controle kon krijgen hoefde Hitler ook niet meer aan een invasie te denken. Ongeduldig geworden besloot hij toen om toch de Sovjet-Unie aan te vallen om zijn plannen voor Lebensraum te verwezenlijken. Dit werd hem zeer ontraden door o.a. Josef Goebbels en Hermann Goering die Duitsland nog niet klaar vonden voor zo'Å„ grote uitbreiding van de oorlog. Maar Hitler was vastbesloten en stuurde Goering zelfs op 'vakantie'.

In 1941 begon Hitler toen aan wat velen beschouwen als zijn grootste vergissing: operatie Barbarossa, de invasie van de Sovjet-Unie. Na aanvankelijk weer grote successen bleken de grote logistieke problemen en de winter teveel voor het tot het uiterste beproefde materieel en de oververmoeide manschappen. Vlak voor Moskou moest de Wehrmacht halt houden en de winter uitzitten. In de zomer van 1942 werden nog enkele succesjes geboekt maar de invasie mislukte uiteindelijk bij Stalingrad; het Oostfront stortte eind 1942 ineen waarna de lange en bloederige terugtocht voor de Wehrmacht naar nazi-duitsland opgejaagd door het Rode leger begon. Ondertussen was ook de Verenigde Staten bij Hitlers tegenstanders gekomen door de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor, op 7 december 1941. Dit leidde tot de oorlogsverklaring van Duitsland aan de VS en tot georganiseerde deelname aan de oorlog door een geallieerd bondgenootschap. De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk leidden de tegenaanval aan het westelijk front en de Sovjet-Unie die aan het oostelijk front. Sommige generaals van Hitler zagen toen (1942) al in dat de oorlog op den duur onmogelijk meer te winnen was met zoveel tegenstanders en stelden voor een gunstige vredesregeling met de geallieerden te treffen nu het nog kon. Hitler reageerde furieus en ontsloeg de meeste van deze 'dissidenten'. Vanaf toen nam hij zelf het definitieve commando van het leger over en smoorde kritiek op zijn plannen in de kiem.

Een andere tegenslag was de val van Mussolini in 1943, en op 20 juli 1944 werd in zijn Pruisische hoofdkwartier Wolfsschanze een bijna-gelukte bomaanslag op Hitler gepleegd door een groep officieren onder leiding van Claus von Stauffenberg. Hitler zelf zag die aanslag overigens niet als een tegenslag; het feit dat hij tegen alle verwachting in ontkwam vatte hij volgens Kershaw en andere biografen triomferend op als een ingreep van 'de Voorzienigheid'.

Het einde

De invasie in Normandië (D-Day) op 6 juni 1944 leidde de bevrijding in van de bezette West-Europese gebieden. Hitler voelde zich door zijn generaals verraden en ook door het Duitse volk, dat in zijn ogen in haar historische missie had gefaald. De laatste dagen van zijn leven bracht hij door in een sombere bunker nabij de kanselarij. Hitler was op dat moment lichamelijk en geestelijk een wrak. Zijn lijfarts, dr. Morell, hield hem met diverse injecties op de been. Hij gaf bevel tot het vernietigen van alle industriële complexen en het zich doodvechten tegen de Russen. Hij ging de afgrond in en probeerde het Duitse volk mee te slepen. Op 20 april 1945 vierde hij zijn 56e verjaardag, zijn laatste. Naar het partijtje in de bunker kwam een aantal hoge nazi's, waarvan een aantal direct daarna Berlijn ontvluchtte.

Op 30 april 1945 pleegde hij zelfmoord in zijn ondergrondse bunker in Berlijn. Naar alle waarschijnlijkheid nam hij gif in en schoot hij zich direct daarop met een pistool een kogel door het hoofd. Dat deed hij samen met Eva Braun, met wie hij enkele uren tevoren gehuwd was. Ook een aantal van zijn naaste medewerkers benam zich daarna het leven, waaronder zijn beruchte minister van propaganda Joseph Goebbels. Acht dagen later, op 8 mei 1945, gaf Duitsland zich over.

Wat er na zijn dood met zijn lichaam gebeurde is een mysterie. De meest plausibele verklaring is echter de volgende. Na Hitlers dood gaf Goebbels opdracht de lijken te verbranden. Haastig werden de lijken met benzine overgoten en in brand gestoken. Goebbels verdween vrij snel om met zijn gezin zelfmoord te plegen, en ook de aanwezige soldaten hadden haast aangezien de Russische granaten her en der neerregenden. Hierdoor verbrandde het lichaam niet volledig. Uiteindelijk zou het Rode Leger twee lichamen aantreffen, waarvan één 'waarschijnlijk van Hitler' was. De NKVD (de 79steSMERSH) legde beslag op de lijken en liet ze naar Moskou brengen. Onder geen voorwaarde mocht Hitler immers door Duitsers worden gevonden en begraven: zijn graf zou een nazi-bedevaartsoord worden. Uiteindelijk zouden de lijken alsnog in Moskou in het diepste geheim verbrand zijn. Een niet verbrande kaak met bijbehorende brug is in Moskou nog aanwezig en alleen voor wetenschappers toegankelijk.

Het raadsel Hitler

Het blijft, ook voor de grootste kenner, een groot raadsel hoe deze op het oog mislukte man, die 'halfbakken kunstenaar en straatzwerver, dat korporaaltje' zoals president Paul von Hindenburg hem denigrerend noemde toen hem in 1933 voorgesteld werd om Hitler als kanselier te benoemen, een dergelijke macht over mensen heeft kunnen krijgen en houden, hoe hij dit hele drama heeft kunnen ontketenen en waarom hij dat niet alleen wilde, maar ook nog deed.

Talloze Hitlerverklaarders hebben zich het hoofd gebroken over de mogelijke motivatie en psyche van de man die deze onvoorstelbare visie niet alleen had, maar ook per se wilde uitvoeren. Een scala aan meningen is het resultaat, onderzocht en op een rij gezet door Ron Rosenbaum in zijn boek Waarom Hitler?. De meningen variëren van 'Hitler was een toneelspeler, leugenaar, charlatan' (Alan Bullock) tot 'Hitler was een duivel, een monster' of 'Hitler was een seksueel gefrustreerde psychopaat' (Norbert Bromberg, Verna Volz Small, Gertrud Kurth), maar ook 'Hitler geloofde oprecht dat hij deed wat goed was' (H.R. Trevor-Roper).

Een heel aparte visie heeft de Duitse historicus Sebastian Haffner. In zijn boek Kanttekeningen bij Hitler stelt Haffner de vraag hoe een zo gering getalenteerd persoon en een zo armzalige persoonlijkheid als Hitler zoveel macht kon verkrijgen. Hij is van oordeel dat Hitler een hypnotiserend talent bezat, het talent van een geconcentreerde wilskracht waarmee hij zich een collectief onderbewustzijn - waar en wanneer zich dat manifesteerde- te allen tijde kon toe-eigenen. Deze hypnotiserende invloed op de massa was Hitlers eerste, en lange tijd enige, politieke kapitaal. Er bestaan talloze getuigenissen van de kracht van dit talent. (Haffner, Kanttekeningen, p. 23). Tijdens zijn eerste politieke rede op 24 februari 1920, die een groot succes werd, werd Hitler zich dit talent bewust. Het zou een verklaring kunnen zijn voor zijn greep op de massa en het staatsbestel in de jaren daarna. Latere leden van de staf van officieren, die na de oorlog geïnterviewd werden, spreken over de diabolische invloed die Hitler op zijn generale staf uitoefende en waaraan niemand zich onttrekken kon.

Wat er ook van zij, na zijn dood werd Hitler algemeen gezien als de incarnatie van het ultieme kwaad.

De artiest

Naast schilderen en tekenen was ook gedichten schrijven een van zijn passies. Hieronder volgen enkele voorbeelden geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De schuldvraag

De uiteindelijke schuldvraag is grondig onderzocht, maar daarover bestaan volgens Rosenbaum veel verschillende meningen, van 'zonder Hitler geen Holocaust' (Lucy Dawidowicz), tot 'het is de schuld van het christendom' (Hyam Maccoby), 'het is de schuld van de Duitsers' (Daniel Goldhagen) en zelfs 'het is wellicht de schuld van de Joden zelf' (zonder Joden geen Holocaust; George Steiner). De Britse historicus Ian Kershaw, die een lijvige tweedelige biografie schreef, heeft Hitler vooral in een historische context willen plaatsen; hij stelt dat Hitler vooral zo veel macht kon vergaren doordat veel van zijn aanhangers bereid waren hem 'tegemoet te komen'. Ook hebben velen voorzichtig of minder voorzichtig met de vinger naar God gewezen (Emil Fackenheim, Yehuda Bauer).

Het is duidelijk dat de massamoord op miljoenen mensen niet zonder medeweten, en ook niet zonder een initiatief van Adolf Hitler kon worden georganiseerd. Een schriftelijke opdracht is echter niet teruggevonden. Hitlers naaste medewerkers (Himmler, Goering, Kaltenbrunner en Frick) zouden een misdrijf van deze omvang, en met een dergelijke logistieke complexiteit, niet zonder Hitlers duidelijke aanwijzing hebben georganiseerd. De massale vergassing van de Europese Joden past ook bij Hitlers op film bewaarde uitspraak in de Reichstag dat 'Een nieuwe oorlog de ondergang van het Joodse ras in Europa zou zijn'.

Meningen die geheel van de bovenstaande verschillen komen onder andere van Claude Lanzmann, die vindt dat elke verklaring de enormiteit van Hitlers schuld verdoezelt, en van Louis Micheels, die zich afvraagt of de 'waarom'-vraag wel gesteld moet worden. De meest afwijkende mening komt echter van David Irving, die de omvang van de Holocaust relativeert en de betrokkenheid van Hitler onbewezen acht en die dan ook een schare bewonderaars achter zich kreeg uit zogenaamde 'revisionistische' neonazistische en andere extreem rechtse kringen.

Door zelfmoord te plegen wist Hitler zich te onttrekken aan strafvervolging, zodat zijn verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid bij de Holocaust nooit aan een rechterlijk onderzoek zijn onderworpen en dat daarover nooit een rechterlijk oordeel is geveld. Hitler draagt, als leider van het Derde Rijk, de volle verantwoordelijkheid voor de misdaden die in naam van het nationaal-socialisme zijn begaan.