Mohammed

Mohammed (Arabisch:محمد, Moehammad) (Mekka, 570/571 - Medina, 8 juni 632) was een Arabier die wordt beschouwd als de grondlegger van de islam. In deze godsdienst wordt hij als de laatste profeet gezien die de uiteindelijke openbaring van God (of Allah zoals men in de islam zegt) zou hebben ontvangen. Door moslims wordt hij daarom aangeduid als het Zegel der Profeten.

Moslims zijn gewoon na het horen van de naam Mohammed sal-allaahoe aleihim wa salaam ("zegeningen en vrede met hem" of "vrede zij met hem") uit te spreken, in geschreven tekst vaak afgekort als 's(a)ws' of '(z)v(z)mh'.

Levensloop

Er zijn weinig niet-islamitische bronnen waarop een biografie van Mohammed gebaseerd kan worden. De betrouwbaarheid van de islamitische bronnen, die veelal uit de tijd na de dood van Mohammed dateren, wordt door sommige historici aangevochten. Er wordt zelfs beweerd (onder andere door de islamologen Christoph Luxenberg en John Wansbrough) dat Mohammed een mythische persoon is wiens levensverhaal veel later is bedacht om de heerschappij van de Omajjadendynastie te legitimeren. [1]

Perzische miniatuur uit de 16e eeuw. Mohammed komt per paard aan in de hemel. Zijn gezicht is niet afgebeeld. Jeugd

Hoofdartikel met betrekking tot geboortejaar: Geboortejaar van Mohammed

Verschillende gedichten uit de klassieke Arabische literatuur ondersteunen de traditionele visie dat Mohammed hoorde tot de stam van Haasyim, een verarmde substam van de Qoeraisj. Deze stam was verwant met de stam van Moettalib. Mekkaanse tegenstanders van Mohammed kritiseerden hem met het argument dat ze hem en zijn boodschap geloofd zouden hebben als hij één van de vooraanstaande mannen van de twee steden (Mekka en at-Thakif) zou zijn geweest (koran 41:31).

Over zijn vader Abd Allah ("dienaar van God"), die vlak voor de geboorte van Mohammed gestorven zou zijn, is weinig bekend. De naam Abd Allah is mogelijk niet zijn originele naam geweest. Zijn grootvader van vaders zijde wordt Abd al-Moettalib genoemd. Ook over hem is eveneens weinig bekend. Zijn moeder Aminah bint Wahab was afkomstig uit Medina en overleed toen hij zes jaar was. Tot zijn achtste was hij bij zijn grootvader in huis maar toen die stierf werd zijn opvoeding voortgezet door zijn oom, Aboe Talib. Uit historische bronnen zijn Mohammeds ooms Aboe Talib, Hamza en Abd al-Oezza bekend.

Polytheïsme en geestenverering kenmerkten de Arabische wereld toen Mohammed opgroeide, hoewel er ook Joodse stammen (met name in Medina) waren en groepen Bedoeïenen die een vorm van monotheïsme kenden. Mekka was in die tijd een handelsstad waar enkele karavaanroutes samenkwamen. Handelaars en andere reizigers namen hun religies en (af)godsbeelden mee en vele daarvan werden in Mekka neergezet, vooral rond de Ka'aba. De Ka'aba was in de tijd van Mohammed een universeel religieus heiligdom waar 360 goden werden aanbeden. De stam Qoeraisj had vanouds het beheer over de Ka'aba. Mohammed groeide op in de stad en ontmoette daar voldoende rondreizende Bedoeïenen en kooplieden uit allerlei windstreken om iets meer te weten te komen van deze geloven. Ook nam zijn oom hem tenminste één keer mee naar Syrië. Een van de bijnamen die zijn stadgenoten hem volgens de overlevering gaven was al-Amin, de betrouwbare.

Toen Mohammed 25 jaar oud was trouwde hij met de vijftien jaar oudere weduwe Chadidja, die handelskaravanen bezat. Zij had hem kort tevoren in dienst genomen als leider van een van haar karavanen. Reizend als Chadidja's handelsvertegenwoordiger kwam Mohammed in contact met joden en christenen. Hij raakte daarbij enigszins bekend met hun godsdienst. Het is niet ondenkbaar dat hij in deze periode een ideaal van een verenigde Arabische natie onder één god ontwikkelde.

Profeetschap in Mekka

Niet-moslimse historie vermeldt dat Mohammed in het jaar 610, toen hij 40 jaar oud was, de leider van zijn stam was.

Toen Mohammed zich in de maand Ramadan van dat jaar had teruggetrokken in een grot van de berg Hira vlak buiten Mekka om zich te bezinnen op de toestand waarin de Mekkaanse samenleving verkeerde, zou de engel Gabriël aan hem verschenen zijn en hem als profeet hebben aangewezen. De eerste vijf regels van soera 96 vormen volgens een meerderheid van de Koranexegeten het begin van de openbaringen die Mohammed via Gabriël gedurende de volgende 22 of 23 jaar ontving. De verzamelde openbaringen werden later verzameld tot de Koran.

Na ongeveer twee jaar begon Mohammed zich als profeet te profileren en riep hij zijn plaatsgenoten op geen andere goden meer te aanbidden. Zijn boodschap van monotheïsme, politieke eenheid en sociale bewogenheid stuitten op verzet van de heersende klasse die zijn rijkdom en aanzien mede aan de veelgodencultus rond het heiligdom in Mekka te danken had.

Eerste volgelingen

Tot Mohammeds eerste volgelingen behoorden zijn vrouw Chadidja, zijn vriend en zakenman Aboe Bakr, zijn minderjarige neef Ali, twee slaven en de koopman Oethman ibn Affan. Vanwege zijn sociale boodschap trok hij in het begin met name armere Mekkanen en slaven aan. In de dertien jaar dat Mohammed in Mekka predikte verzamelden zich ongeveer 70 families om hem heen.[2]

Machtsstrijd in Mekka

De heersende klasse voelde zich door het optreden van Mohammed dermate bedreigd dat ze hem het leiderschap over Mekka aanboden op voorwaarde dat hij met zijn predikingen ophield. Toen Mohammed dat weigerde, riep een aantal leidende figuren op tot een boycot van de clan van Mohammed, die twee jaar duurde. Zij raakten gedurende die tijd economisch en sociaal volledig geïsoleerd. In die tijd overleed Chadidja en niet lang na het opheffen van de boycot ook zijn oom en beschermer Aboe Talib, wat zijn tegenstanders in de gelegenheid stelden om openlijk te speculeren over mogelijkheden om Mohammed uit de weg te ruimen.

Mohammeds vrouwen

In de gezaghebbende hadith van Bukhari (1:282) staat dat Mohammed (op enig moment) negen vrouwen had, terwijl de Koran (4:3) zegt dat het er maar vier mogen zijn.

Achter elke naam van een vrouw staat de huwelijksdatum (voor zover bekend), of ze maagd, weduwe of gescheiden was, of er een politieke reden voor het huwelijk was en of ze Mohammed overleefde.

  • Khadijah bint Khuwaylid trouwde in 595 na Chr.; weduwe; stierf in 619
  • Sawada bint Zama trouwde snel na 619; weduwe; stierf na Mohammed
  • Aisha trouwde in 622; maagd ; stierf na Mohammed

Enige tijd na het overlijden van Chadidja vroeg Mohammed[3] zijn trouwe vriend Aboe Bakr om de hand van zijn dochter Aïsha. Aïsha was volgens de oudste Hadith, die haar als getuige laten optreden, 6 jaar toen ze trouwde en 9 toen ze tot de verblijven van Mohammed werd toegelaten. De klassieke opvatting is dat ze gemeenschap met Mohammed had na haar eerste menstruatie, volgens de ene lezing rond haar negende, volgens een andere toen ze twaalf jaar oud was.

  • Hafsa bint Umar trouwde tussen circa 624-625; weduwe, politiek huwelijk; stierf na Mohammed
  • Zaynab bint Khuzayma trouwde circa tussen 626-627; weduwe; stierf kort daarna
  • Umm Salama Hind bint Abi Umayya trouwde in 626; weduwe; stierf na Mohammed
  • Zaynab bint Jahsh trouwde circa tussen 625-627; weduwe en gescheiden; stief na Mohammed
  • Juwayriya bint al-Harith trouwde circa tussen 627-628; weduwe, waarschijnlijk politiek huwelijk; stierf na Mohammed
  • Umm Habibah trouwde in 629; weduwe, politiek huwelijk; stief na Mohammed
  • Safiyya bint Huyayy trouwde in 629; weduwe, gevangen genomen tijdens een veldslag; stierf na Mohammed
  • Maymuna bint al-Harith trouwde in 629; weduwe; stief na Mohammed
  • Maria al-Qibtiyya; Egyptische (naam verwijst naar "Maria de Koptische"); ze was als slavin gegeven aan Mohammed door de heerser van Egypte. Velen beweerden dat ze slavin bleef; anderen beweerden dat ze toch deels vrijheid verkreeg; getrouwd circa tussen 628-629; ze was de moeder van Mohammeds zoon Ibrahim, die maar kort geleefd had en stierf in 630; stierf na Mohammed
Vlucht naar Jathrib

In 620 en 621 ontving Mohammed delegaties uit Jathrib (later Medina genoemd), waarvan de leden tot de islam overgingen en die de moslims uit Mekka hulp en bescherming aanboden. Dit stelde de moslims in de gelegenheid om successievelijk naar Jathrib uit te wijken. In 622 ontving Mohammed op een dag een openbaring waarin Allah hem opdroeg om zelf ook naar Jathrib te emigreren. Dit was tevens het moment dat zijn vijanden hadden besloten om hem te vermoorden. Samen met Aboe Bakr wist Mohammed aan zijn belagers te ontkomen en vertrok hij 's nachts in zuidelijke richting, om zijn achtervolgers op een dwaalspoor te zetten. Deze migratie staat bekend als de hidjra en is later als begin van de islamitische jaartelling gaan gelden.

Medina

In Jathrib vestigde Mohammed na enige tijd zijn macht. De plaatsnaam werd omgedoopt in Medinat-un-Nabawi ('stad van de profeet'), later afgekort tot Medina.

Verdrag van Medina

Volgens de tradities sloot Mohammed een verdrag met de Arabische en Joodse stammen dat bepaalde dat ieder zijn eigen religie vrij kon belijden, vijandigheden tussen moslims verbood en voorschreef dat geschilpunten ter beoordeling aan Mohammed werden voorgelegd. Tevens zouden de partijen elkaar steun verlenen in het geval een van hen door een vijand zou worden aangevallen.

Het Verdrag maakte weliswaar een einde aan de onderlinge vijandigheden tussen partijen in Jathrib, maar met de komst van Mohammed en zijn getrouwen ontstond een nieuw conflict, namelijk tussen moslims en niet-moslims. Uit de overgeleverde versie van het verdrag blijkt hoe de zaken ervoor kwamen te staan: officiëel waren de verschillende partijen dan wel gelijkberechtigd, maar voor de niet-moslims was dat eerder een gunst dan een recht. Het is twijfelachtig of het overgeleverde verdrag hetzelfde is als het verdrag dat de strijdende partijen in Jathrib ondertekenden.

Rooftochten

Om in de landbouwenclave aan inkomsten te komen waren de moslims, die vooral slaven en kooplieden waren, aangewezen op de steun van de inwoners van Medina, die mede daarom 'helpers' (ansaar) werden genoemd, en op het beroven van karavanen van vijandelijke clans. Om aan die berovingen een eind te maken zonden de Qoeraisj een leger naar Medina. Bij Badr, een oase op de karavaanroute tussen Mekka en Medina, kwam het tot een treffen en behaalden de moslims een wonderbaarlijke overwinning op het vele malen grotere aantal Mekkaanse strijders. Volgens de overlevering was dat te danken aan de tussenkomst van engelen, die een regen van stenen op de Mekkanen deden neerdalen.

Oorlogen

In 626 versloeg een leger van circa 3000 Mekkanen het duizendkoppige leger van moslims bij Oehoed. De moslims moesten zich in Medina terugtrekken.

In 627 stuurde Mekka een leger van 10.000 soldaten naar Medina om de moslimgemeenschap definitief te vernietigen. De moslims hadden echter een gracht gegraven, een techniek die nieuw was voor de Arabieren die gewend waren om man tegen man te vechten. Na twee weken beleg moest het leger zich terugtrekken, niet in staat de vesting van Medina binnen te komen. Deze gebeurtenis staat bekend als de loopgravenoorlog of 'Oorlog van de gracht'.

In 629 vond de slag bij Khaybar plaats. Mohammed keerde zich tegen de joodse stam Banoe Koraiza. Na een beleg van hun vesting gaf de stam zich over. De verslagen Joden werden gedood, tot slaaf gemaakt of tot dienstbaarheid teruggebracht. Mohammed's volgelingen doodden alle mannen en verdeelden de vrouwen van de joodse stam Banu Nadir, die door Mohammed drie jaar uit Medina waren verbannen, onder elkaar. Andere joden die in Khaybar leefden, gaven zich over onder de voorwaarden en hun land af te staan aan de moslims. Mohammed nam een van de kersverse weduwen, Rayhana, tot slavin.[4]

Uitbreiding van de macht

In hadith Bukhari staat vrij veel te lezen over de veldslagen van Mohammed. Niet altijd ging het daarmee om veldslagen in een oorlog of om strafexpedities. Volgens Sher Khan[5] was de slag bij Badr bijvoorbeeld een ordinaire rooftocht, waarbij het Mohammed uitsluitend om het geld en de goederen ging.

Omringende Arabische stammen begonnen nu de kracht van Mohammed te erkennen en waren bereid om verdragen met hem te sluiten.

Terugkeer naar Mekka

In 628 trok Mohammed met 1500 ongewapende volgelingen in ihram (pelgrimskledij) en voorzien van een groot aantal offerdieren naar Mekka met het doel de bedevaart (hadj) te verrichten, maar de toegang tot de stad werd hem ontzegd. De Qoeraisj en de moslims kwamen wel een tienjarig bestand overeen (het verdrag van al-Hoedaibiyyah), dat de moslims in staat stelde om het jaar daarop de kleine bedevaart (oemra) te verrichten. Voor de zekerheid trokken de Mekkanen zich terug op de omringende heuvels. Na vijf dagen verblijf in Mekka keerden de moslims weer terug naar Medina.

In januari 630 schond 'Mekka' het verdrag van al-Hoedaibiyya doordat enkele Qoeraisjieten de clan Bakr hielp bij het doden van een aantal leden van de met Mohammed verbonden clan Choezaa'a. Daarop overvielen de moslims met een leger van 10.000 soldaten Mekka. Mohammed kondigde algehele amnestie voor de Qoeraisj af, op voorwaarde dat zij zich niet tegen Mohammeds heerschappij zouden verzetten. Elf Qoeraisjieten werden ter dood gebracht.

In maart 632 volbracht Mohammed aan zijn enige hadj. Tijdens de reis hield hij een preek waarin hij een aantal richtlijnen op religieus en sociaal gebied nogmaals uiteenzette.

Na een kort ziekbed overleed Mohammed rond de middag op maandag 8 juni 632 in Medina. Hij was toen 62 jaar oud. Zijn vriend en schoonvader Aboe Bakr volgde hem op als leider (kalief) van de moslims.

Boodschap

Mohammed preekt voor zijn volgelingen.

Mohammed verkondigde dat Allah zich al eerder tot andere volken had gericht, maar zich nu voor het eerst rechtstreeks tot de Arabieren richtte. Volgens Mohammed behoorde de Ka'aba enkel toe aan de enige ware God, die de Mekkanen ook erkenden als de Hoge God (Allah). Hoewel de Ka'aba was gewijd aan een god met de naam Hoekbal, werden er vele goden vereerd. Diverse overleveringen duiden er voorts op dat veel Arabieren de Ka'aba in feite als het heiligdom van de Hoge God beschouwden.[6] Mohammed wees op het gebrek aan logica bij veel van zijn tegenstanders, omdat zij 'Allah' weliswaar als Hoge God erkenden, maar daar geen logische consequenties aan verbonden.

Verband met Jodendom en Christendom

De voor de Arabieren revolutionaire religieuze ideeën van Mohammed worden in de Koran in verband gebracht met de Mensen van het Boek (ahl al-kitab), een uitdrukking die verwijst naar de joodse en christelijke gemeenschappen op het Arabisch schiereiland. Dat Mohammed zich bewust was van deze associatie is duidelijk uit herhaalde mededelingen in de Koran die de overeenkomst tussen de leer van de Koran en die van joden en christenen benadrukt. In Soera 10:94 daagt de Koran de tegenstanders van Mohammed zelfs uit om de Mensen van het Boek te consulteren voor onweerlegbaar bewijs voor de waarheid van zijn boodschap. Toch konden joden en christenen het met die boodschap niet zomaar eens zijn; bijvoorbeeld: in de ogen van joden was Jezus geen profeet (volgens Mohammed wel), en in de ogen van christenen was Jezus méér dan een profeet (volgens Mohammed niet). Veel 'Mensen van het Boek' lieten zich door Mohammed niet overhalen in hem een profeet van JHWH te zien.

Omdat Mohammed door joden en christenen die zich in beperkte mate op het Arabisch Schiereiland gevestigd hadden en die hij tijdens zijn handelsreizen naar Syrië ontmoette met het jodendom en christendom in aanraking kwam, wordt door sommige islamologen verondersteld dat hij de joodse en christelijke leer tot een nieuwe leer 'bewerkte', of er elementen uit overnam. In die visie is Mohammed dan ook de auteur of tenminste de redacteur van de Koran.

Diverse Koranverzen benadrukken dat Mohammed geen stichter van een nieuwe religie was. Zijn taak bestond alleen uit het oproepen van de Arabieren om terug te keren tot de oorspronkelijke religie, die wel de religie van Ibrahim (Abraham) wordt genoemd (bijvoorbeeld Koran 51:50; 74:2; 79:45; 80:11; 88:21) en om te waarschuwen voor de Dag des Oordeels (bijvoorbeeld Koran 36:6; 34:44; 32:3).

Men veronderstelt wel dat Allah synoniem is met de maangod (Al-Ilah), bijvoorbeeld wanwege het gebruik van de maansikkel als symbool van de islam. Dit kan een reden zijn dat Joden uit Mohammeds tijd niet erkenden dat moslims met Allah JHWH bedoelden, de God uit de Tenach.

Behandeling van niet-moslims

Mohammed maakte blijkens de Koran onderscheid tussen drie soorten niet-moslims: Mensen van het Boek (christenen en joden), "ongelovigen" of "afgodendienaars" en tenslotte "afvalligen" (ex-moslims). Mohammeds benadering van deze groepen is respectievelijk: beperkte tolerantie, onderwerping en doodstraf indien zij een bedreiging voor de moslimgemeenschap vormden.

German Muñoz[7] somt een hele lijst Koranverzen op waarin 'de ongelovigen' met de dood worden bedreigd, tenzij ze zich 'bekeren'.

Een publicist zoals Silas[8] bewijst op grond van Koran en gezaghebbende Hadith dat Mohammed vond dat afvalligen moesten worden gedood. Het is trouwens precies dit artikel waarop de Wahhabieten zich baseren wanneer zij 'gewone' moslims bestrijden.

Enkele religieuze visies op Mohammed

  • Sommige humanisten zien Mohammed, net als Jezus en Boeddha, als een belangrijk ethisch leider.
  • In de middeleeuwen stond Mohammed onder de joden bekend als 'ha-meshuggah' ("de kwade" of "de bezetene"). De titel wordt onder andere in de Hebreeuwse Bijbel gebruikt voor degenen die zichzelf als profeten beschouwden, maar vals waren. Voor veel joden is de ernstig afwijkende hervertelling door Mohammed van oude verhalen onverteerbaar.
  • Voor de meeste christenen (met uitzondering van de monofysieten en zij die niet in de tweenaturenleer geloven) is Mohammeds ontkenning van de goddelijke status van Jezus een onoverkomelijk punt. Mohammed wordt dan ook als een valse profeet beschouwd. Sommigen gaan nog een stap verder en beweren dat Mohammed werd geïnspireerd door Satan of zelfs een geboren zoon van Satan was. In conflictgebieden gedurende de Middeleeuwen werd Mohammed afgebeeld in de hel waar hij werd gemarteld door demonen.
  • Volgens het bahaïsme is Mohammed niet de laatste profeet (maar wel een van de reeks), maar Bahá'u'lláh, die wordt beschouwd als de, tot nu toe, laatste in de reeks Boodschappers van God.
  • Ook de Ahmadiyya-moslims geloven dat Mohammed niet de laatste profeet was.

Historisch-kritische kanttekeningen

Buiten de islamitische overlevering is er over het optreden van Mohammed in de periode in Mekka weinig informatie te vinden. Wat we over hem weten, weten we uit de Koran, korancommentaren en mondeling overgeleverde uitspraken van volgelingen. Moderne historici kunnen niet anders dan zeer omzichtig omgaan met deze informatie. De profeet staat niet vermeld in enig bekend historisch document van buurvolkeren. In de koran komt het woord Mohammed slechts viermaal voor, maar onduidelijk is of het om een eigennaam of een bijvoeglijk naamwoord gaat, dat met 'de prijzenswaardige' vertaald kan worden en of daar inderdaad de historische Mohammed mee wordt bedoeld. In de korantekst komt wel een naamloze jij-figuur voor, die soms gezant of profeet wordt genoemd.

Betrouwbaarheid van de overleveringen

Wim Raven wijst erop dat er verschil van mening tussen moslimgeleerden en westerse islamologen en oriëntalisten bestaat over de vraag of de talloze overleveringen over de profeet inderdaad als historisch betrouwbaar materiaal mogen worden beschouwd. Moslimgeleerden geloven dat dit materiaal in grote lijnen met de werkelijkheid overeen komt, westerse geleerden hebben daarentegen hun ernstige twijfels, met name omdat nauwelijks enige brontekst met zekerheid in de eerste eeuw van de islam te dateren zou zijn en van vele teksten elkaar tegensprekende varianten bestaan. Niet-islamitische bronnen, die soms heel oud zijn, zouden een heel ander beeld opleveren dan islamitische bronnen.[9]

De oudste biografie van Mohammed is die van Ibn Ishaaq en dateert van rond 750, meer dan een eeuw na de dood van de profeet. Dit is een verzameling mondeling overgeleverde uitspraken van tijdgenoten die niet beschouwd kan worden als objectieve en verifieerbare geschiedschrijving in de moderne zin van het woord. Volgens sommige islamologen lijken biografieën van de profeet vooral bedoeld om passages in de Koran achteraf van een context te voorzien en zijn het alleen al daarom geen betrouwbare historische bronnen.[10] [11]

De pogingen om feit en fictie in de beschikbare bronnen van elkaar te onderscheiden heeft tot nu toe weinig bruikbare resultaten opgeleverd voor een kritische beschrijving van de historische persoon Mohammed en de rol die hij speelde in de islam. Harald Motzski stelt dat het onderzoek op dit moment gevangen is in een dilemma. Aan de ene kant is het volgens Motzki niet mogelijk een historische biografie te schrijven zonder ervan beschuldigd te worden de bronnen kritiekloos over te nemen, terwijl het aan de andere kant onmogelijk is om op basis van een kritische beschouwing van die bronnen een bruikbare biografie te schrijven.[12] Arthur Jeffrey veronderstelde in 1926 dat er misschien gewacht moet worden op verder onderzoek naar de vroege bronnen voordat er uitspraken kunnen worden gedaan over de historische Mohammed.[13] [14]

Noten

  1. ↑ Koranonderzoek / De islam van de rotsen, Trouw, 12-04-2006
  2. ↑ Karen Armstrong: Islam, geschiedenis van een wereldgodsdienst, 3e druk, 2005, pp. 65-66
  3. ↑ Sahih Bukhari 7.18
  4. ↑ Koran 33:25-27, Sahih Bukhari deel 4 nr. 280
  5. ↑ Wild Wild Arabia, door Sher Khan
  6. ↑ Armstrong, p. 66
  7. ↑ AIM Report: Media Are Blind to Islamic Threat, door German Muñoz
  8. ↑ The punishment for apostasy from islam, door Silas
  9. ↑ Wim Raven in zijn inleiding bij: Ibn Ishaaq: Het leven van Mohammed, de vroegste Arabische verhalen, Amsterdam, 1980. Raven werkt dit niet verder uit.
  10. ↑ Karl-Heinz Ohling & Gerd-R. Puin, Die dunklen Anfänge, neue Forschungen zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlin, 2005. Twaalf wetenschappers uit verschillende landen uiten in dit boek hun twijfels over het traditionele verhaal over de beginperiode van de islam. Recensie in Trouw, 3 maart 2006. Overigens komen hun conclusies niet allemaal met elkaar overeen.
  11. ↑ Hans Jansen, De historische Mohammed. De Mekkaanse verhalen, Amsterdam, 2005. Recensies in NRC, RD en Trouw
  12. ↑ Vertaald van: S.A. Nigosian, Islam: Its History, Teaching, and Practices, p. 6. Gedeeltelijk in te zien via books.google.com
  13. ↑ The Quest of the Historical Muhammad, The Muslim World, vol. 16: 327-48,1926 Zie Answeringislam.com
  14. ↑ Voor meer over de vergelijking van de historische benadering van Mohammed met historisch onderzoek naar Jezus en de problemen die bij beiden oprijzen, zie b.v. F. E. Peters, The Quest of the Historical Muhammad, International Journal of Middle East Studies, Vol. 23, No. 3. (Aug., 1991), pp. 291-315, met een uitgebreid notenapparaat.