Michel de Montaigne

Michel Eyquem de Montaigne (28 februari 1533 – 13 september 1592) was een invloedrijke Franse renaissanceschrijver, die algemeen wordt beschouwd als de uitvinder van het persoonlijke essay. In zijn belangrijkste werk, Essays, neemt hij de mensheid en met name zichzelf als onderwerp van studie. Hij wordt algemeen beschouwd als een sceptisch humanist.

Inleiding

De evolutie van de gedachten van Montaigne wordt vaak beschreven als een overgang van het stoïcisme naar het epicurisme met in het midden een sceptische periode. “Dit scepticisme vermengd met een verfijnd epicurisme en een praktisch stoïcisme is de grondtrek van het denken van de beminnelijke, verdraagzame wereldburger die Montaigne was.‿(Boucher, 1969) Montaigne leerde de mens kennen als een veranderlijk wezen, niet in staat om ooit de waarheid te ontdekken, een slaaf van zijn gewoonten, vooroordelen, egoïsme en fanatisme, een slachtoffer van omstandigheden. Deze uitspraak reflecteert ook gedeeltelijk op zichzelf. Montaigne veranderde geregeld zelf van filosofische stroming. “De proeven‿ of essays van Montaigne samengesteld uit 107 hoofdstukken worden in 3 boeken verdeeld. De drie bovenvermelde filosofische stromen komen min of meer overeen met deze drie boeken van het Essay.

Humanisme

De term humanisme heeft geen eenduidige betekenis. Toch zijn er enkele principes die steeds terugkeren. Uiteraard staat de mens centraal in dit gedachtegoed, maar typisch bij de humanisten is hun interesse in de klassieke oudheid, toen er voor het eerst werd gesproken over de menselijke ontplooiing en waardigheid. Montaigne was geen humanist in beroepsmatige zin. Dit soort humanisten onderwees enkele humaniteiten nl. geschiedenis, ethiek, poëzie en retoriek. Deze waren volgens hen nodig om het goede van het kwade te kunnen onderscheiden. Montaigne was het vaak eens met de humanistische ideeën, maar gaf dus geen les.

Volgens Montaigne moest je de mensheid bestuderen, simpelweg door het bestuderen van de mens zelf. Hij vond dat men moest leven zoals de helden in de klassieke oudheid, maar was er zich van bewust dat er weinig objectieve verslagen terug te vinden waren waarop hij zijn werk kon baseren. Daarbij kwam ook nog dat hij geloofde dat het karakter van een mens tot uiting kwam in details, die vaak weg waren gelaten in deze werken. Hierdoor kon hij niet anders dan sommige van zijn onderwerpen aanpakken door zichzelf te bespreken. Dit was ook de reden waarom sommige mensen van zijn tijd vonden dat hij te individualistisch was om een echte humanist te zijn.

De menselijke vrijheid, gelijkheid en tolerantie waren voor hem ook een belangrijk punt. Montaigne geloofde dan ook niet in gezag. Ambitie en gierigheid zijn slecht. De meeste mensen willen volgens Montaigne enkel maar een openbare ambt bekleden voor eigen gewin en niet voor het algemeen belang. Hij had weinig vertrouwen in de menselijke rede, o.a. de menselijke pretenties en dikdoenerij vond hij voor niets goed. Een veelzeggend citaat van Montaigne is dan ook: “Dat ellendige en beklagenswaardig schepsel dat zichzelf niet meester is… en dat zich desondanks heer en meester van dit universum durft te noemen!‿(Burke, 1994) Hij haalde de onbetrouwbaarheid van zintuiglijke gegevens aan en is tegen het feit dat de mens zich onderscheidt van het dier door zijn denkvermogen. Van deze menselijke zwakheden moest elke mens zich bewust zijn.

Montaigne vond het belangrijk dat men wist hoe je goed moest leven en sterven. Dit is voor iedereen anders, want er zijn geen twee mensen identiek. In de werken die wij nu gelezen hebben, wordt meermaals aangehaald dat Montaigne de zelfkennis vaak centraal zet. Het eerste wat een kind volgens hem moet doen, is zichzelf leren kennen. In zijn denkwijze zijn de kinderjaren cruciaal in de bepaling van het karakter, dus ook of je later goed of slecht zou leven. Door hele dagen boeken te bestuderen word je volgens Montaigne geen beter mens.

De mens werd gekenmerkt door een grote veranderlijkheid. Naast de grote veranderlijkheid van de mens, wijst hij ook op de enorme verscheidenheid ervan: “Er hebben op de wereld nog nooit twee identieke meningen bestaan, zomin als twee identieke haren of graankorrels. Hun meest universele hoedanigheid is de verscheidenheid.‿ (Geraedts & de Jong, 1996). Hij zei ook dat één persoon nooit tweemaal in dezelfde gemoedstoestand kan zijn. Montaigne zelf dus ook niet, wat voor hem de verklaring was dat hij soms zichzelf tegensprak.

Neostoïcisme

Het neostoïcisme was een belangrijke intellectuele beweging aan het eind van de 16de en begin 17e eeuw. De meer recente filosofische beweging van de Renaissance probeerde om het stoïcisme te doen herleven en die voor een christelijk publiek aanvaardbaar te maken. Pierre Charron, Francisco de Quevedo, Justus Lipsius en Michel de Montaigne worden met deze beweging geassocieerd.

De associatie van Michel de Montaigne met het neostoïcisme en het stoïcisme wordt duidelijk in één van zijn eerste essays “het is leren om te sterven‿. Etienne de La Boétie, een dierbare vriend van Montaigne, heeft hem kennis laten maken met deze stroming. Het overlijden van Boétie vormt een aanzet tot het schrijven van een stoïcijns al dan niet neostoïcijns essay, namelijk zoals eerder vermeld “leren om te sterven‿. In dit essay laat hij duidelijk stellen dat de dood een fenomeen is dat ons ieder ogenblik kan verrassen. Men moet zich daarom dagelijks voorbereiden op de dood, om zo het leed te verzachten. Dit laatste is trouwens een kenmerk van het stoïcisme.

Scepticisme

Definitie: Richting in de wijsbegeerte die de menselijke geest als van nature onbekwaam beschouwt om iets met zekerheid te weten (Van Dale)

“Grondlegger‿ (verspreider): Pyrrho van Elis

De mensheid is zo veranderlijk dat er geen absolute kennis mogelijk is. Zo citeert Montaigne Plinius (Romeins staatsman en schrijver, 61-114) “De enige zekerheid is dat er niets zeker is‿ (Geraedts & de Jong, 1996) of volgens Montaigne “Wat weet ik?‿ (Montaigne, 2004)

Montaignes scepticisme mag niet gelijkgesteld worden aan de methodische twijfel (Descartes) of aan het academische scepticisme. Bij de methodische twijfel vertrekt men van enkele onbetwijfelbare uitgangspunten om zo via deductie tot nieuwe waarheden te komen. Montaigne zei echter dat de menselijke vermogens tekortschieten om tot een absolute waarheid te komen. Bij het academisch scepticisme echter is men van mening dat ze kunnen bewijzen dat iedere waarheid een illusie is. Montaigne was een scepticus omdat hij geloofde dat er meerdere waarheden bestonden in plaats van geen waarheid.

Deze meerdere waarheden kunnen diverse oorsprongen hebben. Eén daarvan kan zijn: de onbetrouwbaarheid van onze zintuigen. Niet iedereen ziet de “waarheid‿ op dezelfde manier en daarom zijn er meerdere mogelijk. Een tweede is het feit dat mensen verschillende gewoonten en oordelen hebben, hierdoor kunnen ze iets als een waarheid aanzien terwijl dit voor andere mensen helemaal niet geldt. Maar daarom is het nog niet fout, er zitten dan enkel verschillen in de opvoeding van mensen waardoor je anders tegen bepaalde dingen gaat aankijken.

Montaignes scepticisme en zijn inzicht in de toevalligheid hangen nauw samen . Volgens zijn visie kunnen we in ons korte leven niet tot de absolute waarheid komen, dus leven we niet geheel volgens onze eigen visie of volgens algemene regels voor de inrichting van ons leven maar volgens gewoonten, tradities, wetten,… Maar hoe komen we in deze gewoonten, tradities e.d.: via toevalligheid want je bepaalt niet zelf waar je op de wereldbol geboren zal worden.

Epicurisme

Epicurus is een antieke Griekse filosoof, die rond 300 jaar voor Christus leefde. Epicurus was sterk beïnvloed door Democritus; zijn fysica was strikt atomistisch en week slechts in onderdelen af van Democritus' leer.

Volgens Epicurus is de vrije wil een product van toeval. Epicurus is ook van mening dat de goden zich niet om ons bekommeren, de dood betekent niets voor ons, genot is gemakkelijk te vinden en pijn duurt niet lang. Zijn verklaring hiervoor is dat de goden wel zijn samengesteld uit atomen, maar ze verblijven in delen van de leegte waar geen andere atomen zijn zodat ze niet in botsing komen. Ze moeten zich ver van mensen houden. Ze kunnen door ons bewonderd worden, maar ze kunnen zich niet met ons inlaten.

De dood betekent niets voor ons omdat de dood niet meer is dan het weer uitgaan van de atomen waaruit we zijn samengesteld, zowel onze ziel als ons lichaam. Geen zorgen dus over het leven na de dood want dat bestaat volgens Epicurus niet.

Genot en pijn ontstaan doordat atomen inwerken op de atomen van ziel en lichaam. Genot is dus een vanzelfsprekend gegeven. Dit alles moet duidelijk maken dat het goede leven mogelijk is en, meent Epicurus, ons doel moet zijn. Het beste leven volgens Epicurus is een wat teruggetrokken leven te midden van vrienden. Volgens Epicurus is moraliteit enkel van belang omdat we daardoor ataraxia (leven zonder angst) bereiken. Volgens dit ideaal heeft Epicurus geleefd.

Hij is ook van mening dat er buiten de zintuiglijke waarnemingen geen bron is van kennis en geen mogelijkheid om onze oordelen te toetsen. De zintuiglijke waarneming ontstaat eenvoudig doordat atomen inwerken op de atomen van de zintuigen en de ziel. Kennis ontstaat alleen uit het contact met de atomen in de wereld en dat contact is mogelijk door de zintuigen.

De epicuristische school stond bekend als besloten. Men had weinig oog voor de wereld maar des te meer voor de verstandhouding tussen de leden van de school. Men besteedde meer aandacht aan de goede band tussen de leden onderling. Elke persoon die zich aansloot bij het epicurisme kon rekenen op de steun en het vertrouwen van de andere epicuristen.

Essayisme

Montaigne is vooral bekend om de essayistische vorm van zijn geschriften. Montaigne werd beschouwd als de uitvinder van dit literaire genre. Hij is diegene die het woord essay heeft geïntroduceerd. Een essay of essai wordt letterlijk vertaald als ‘poging’. Een essay is als het ware een tekst of boek waarin allerlei gedachtegangen worden opgenomen. Losse gedachten, plotse ingevingen, aangebrachte correcties bepalen de inhoud van een essay.

We kunnen opmerken dat de essayistische vorm niet losstaat van de inhoud van Montaignes denken. Montaigne gaat ervan uit dat de wereld en de mens voortdurend verandert. We leven als het ware in een voortdurend proces van verandering. De fragmentarische en door toevallige invallen gekenmerkte vorm van het essay weerspiegelt het fragmentarische en toevallige karakter van ons leven. Tevens is het zoekende karakter van het essay, te vergelijken met het veranderingsproces waarin mens en wereld zich voortdurend bevinden.

Het befaamde veranderingsproces waar Montaigne het over heeft, kunnen we ook bij hem zelf terug vinden. Pierre Villey maakte een studie rond Montaigne en kwam tot het besluit dat we Montaignes intellectuele leven kunnen indelen in 3 perioden. De Stoïcijnse periode in zijn jeugd, de sceptische periode en een laatste, rijpere, periode waarin hij zijn geloof in de wezenlijke goedheid van de mens tot uitdrukking komt. Deze drie perioden komen min of meer overeen met de drie boeken van het Essay.

In het bewijsmateriaal voor zijn vroegere stoïcijnse periode vinden we de brief die hij in 1563 schreef over de dood van zijn vriend La Boétie, waarin hij hem prijst om zijn kalmte van geest waarmee hij de aanvallen van de dood tegemoet gaat. Etienne de La Boétie was een filosoof en tevens een goede vriend van Montaigne die leefde van 1530 tot 1563. De eerste groep van essays is volledig doordrenkt met stoïcijnse waarden. Een duidelijk voorbeeld is de bewering dat ons gevoel voor goed en kwaad grotendeels afhangt van de definitie die we daar zelf aan geven. De vroegere essays zijn nogal kort en vooral gevuld met spreuken met een morele inhoud. Hij maakte vooral gebruik van Latijnse spreuken van o.a: Ovidius; Caesar, Herodotus, Cicero,…

Daarna kwam Montaignes ‘sceptische periode’. Montaigne was toen voor in de veertig. Deze verandering kan op 1575-76 gedateerd worden, omdat Montaigne in die tijd, zijn ‘Que sais-je?’-medaille liet slaan. ‘Que sais-je’, was de lijfspreuk van Montaigne en hij liet deze op een medaille slaan die hij steeds bij zich had. Pierre Villey gebruikt in zijn studie rond Montaigne de term ‘sceptische crisis’. Velen zijn het er niet over eens of de term crisis wel de beste beschrijving is van Montaignes verandering van mening. “Het is een sterke term, die zowel een psychologische schok als een duidelijke breuk met het verleden impliceert.‿ (Kopstukken filosofie:Montaigne; Peter Burke) Het is inderdaad een zekere schok om te merken dat je twijfelt aan wat je voordien als vanzelfsprekend hebt beschouwd, maar volgens Villey beschikt men niet over concreet bewijsmateriaal van de emotionele reacties van Montaigne en in ieder geval geeft hij in zijn werken gedurende deze periode niet de indruk in enige geschokte, emotionele toestand te zijn. In tegendeel, hij heeft zijn onderwerp goed in de hand.

De essays in zijn derde periode verschillen op een aantal punten van de rest. Ze zijn veel langer, steunen minder op citaten en maken gebruik van autobiografische gegevens. Ze staan tevens kritischer tegenover de stoïcijnen en zijn over de gehele lijn veel stoutmoediger. Zijn meningen verschilden steeds meer van die van zijn tijdgenoten. In deze periode kreeg hij de essayvorm onder de knie, hij ontwikkelde die tot iets heel eigens. Kortom, in tegenstelling tot de twee eerste boeken heeft men in het derde boek veel sterker de indruk dat Montaigne zowel wat hij wilde zeggen als de vorm waarin hij het wilde zeggen, gevonden.

Opvallend aan de essayvorm is ook de dialoogvorm. Volgens Montaigne worden we ons in het gesprek bewust van onze eindigheid en beperktheid van de eigen levenservaring. Door het voeren van gesprekken kunnen we deze levenservaring verruimen en kennis opdoen op welke punten we nog tekortschieten wat betreft onze levenservaring. Daardoor zijn we na het gesprek niet langer dezelfde als voor het gesprek. Zelfkennis vindt Montaigne zeer belangrijk. Het belang aan zelfkennis is een eigenschap van het humanisme, een stroming waar we Montaigne ook in terugvinden en waarop eerder in dit werk al is ingegaan.

We kunnen er dus mee besluiten dat Montaigne de grondlegger is van het essayisme. Hij heeft deze stijl ontwikkeld of gekozen omdat de eigenschappen van het essayisme te vergelijken zijn met de kenmerken van de mens en zijn wereld zoals Montaigne.