Karl Popper

Karl Raimund Popper (Wenen, 28 juli 1902 – Londen, 17 september 1994). De in Oostenrijk geboren Britse denker wordt algemeen beschouwd als een van de grootste wetenschapsfilosofen van de 20e eeuw. Daarnaast was hij een belangrijk sociaal en politiek filosoof, een onversaagd verdediger van de liberale democratie en de principes van sociale kritiek waar deze op is gebaseerd, en een onwrikbaar tegenstander van autoritarianisme. Hij is het bekendst geworden door zijn weerlegging van het klassieke model van wetenschap als een proces van observatie en inductie, zijn pleidooi voor falsifieerbaarheid als criterium om wetenschap van non-wetenschap te scheiden en zijn verdediging van de 'open maatschappij'.

Korte biografie

Karl Popper werd in 1902 in Wenen geboren in een burgerlijk gezin van Joodse afkomst en studeerde aan de universiteit van Wenen. Hij promoveerde in 1928 bij Karl Bühler in de filosofie, en gaf les op een middelbare school van 1930 tot 1936. In 1937 emigreerde hij naar Nieuw-Zeeland uit zorg om het opkomende Nazisme. Daar werd hij lector in de filosofie aan Canterbury University College in Christchurch (NZ). In 1946 verhuisde hij naar Engeland om lector te worden in de logica en de wetenschappelijke methode aan de London School of Economics, waar hij in 1949 een leerstoel kreeg. Hij werd 'Sir' Karl Popper in 1965, en in 1976 tot 'Fellow' van de Royal Society gekozen. Hij trok zich uit het academische leven terug in 1969, hoewel hij intellectueel actief bleef tot aan zijn dood in 1994.

Wetenschappelijk werk

Popper bedacht zelf de term 'kritisch rationalisme' om zijn filosofie te omschrijven. Deze benaming is van belang omdat het zijn verwerping van het klassiek empirisme en van het observatie-inductiemodel dat zich daaruit had ontwikkeld aangeeft. Popper was een verklaard tegenstander van dit laatste model en meende in plaats daarvan dat wetenschappelijke theorieën universeel van aard zijn en alleen indirect kunnen worden getest door hun implicaties te toetsen door middel van een cruciale test.

Het toetsen van een theorie volgens de methode van Popper:

1. Een theorie wordt getoetst aan de hand van een singuliere uitspraak, de basiszin

2. De basiszin kan in tegenspraak zijn met een theorie, daarmee is die basiszin een potentiële falsificator (theorie: ‘alle zwanen zijn wit’. Potentiële falsificator: ‘er is 1 zwarte zwaan’)

3. Wanneer de falsificator wordt aanvaard, er is 1 zwarte zwaan, wordt de universele uitspraak over witte zwanen, weerlegd. Wanneer de falsificator niet wordt aanvaard krijgt de singuliere uitspraak een hogere corroboratiegraad. Een hogere corroboratiegraad betekent volgens Popper niet dat een uitspraak met een hogere corroboratiegraad meer waar is dan een uitspraak met een lagere corroboratiegraad, omdat ook een uitspraak met een hoge corroboratiegraad bij een volgende cruciale test weerlegd kan worden.

Hij meende ook dat wetenschappelijke theorieën, en in het algemeen alle menselijke kennis, onvermijdelijk uitsluitend hypothetisch zijn en worden gegenereerd door de creatieve verbeelding om problemen op te lossen die in een bepaalde historisch-culturele context zijn gerezen. Logisch gezien kan geen enkel aantal positieve waarnemingen om een theorie te testen deze bewijzen; maar een enkel tegenvoorbeeld waar de theorie niet opgaat is logisch beslissend: het toont aan dat de theorie waarvan de implicatie wordt getoetst niet juist is. Poppers weergave van deze logische asymmetrie tussen verificatie en falsificatie is een van de kernpunten van de wetenschapsfilosofie. Het bewoog hem ertoe om falsifieerbaarheid te kiezen als criterium voor het onderscheiden van wetenschap en non-wetenschap: een theorie kan uitsluitend wetenschappelijk zijn als hij ook falsificeerbaar is. Dit bewoog hem ertoe om zowel de aanspraak van het marxisme als die van de psychoanalyse op een wetenschappelijke status af te wijzen, omdat de theorieën waar deze beide stromingen op gebaseerd zijn niet falsifieerbaar zijn.

In 'The Open Society and Its Enemies' (de open maatschappij en haar vijanden) en 'The Poverty of Historicism' (de armoede van het historicisme) ontwikkelde Popper een krachtige kritiek op het historicisme en een sterke verdediging van de 'open maatschappij', de liberale democratie. Historicisme is de theorie dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk ontwikkelt volgens vaste wetten, die kunnen worden ontdekt, naar een bepaalde eindsituatie.

Popper beschouwde deze opvatting als de belangrijkste theoretische onderbouwing onder de meeste vormen van autoritarianisme en totalitarisme. Hij viel deze dus aan, erop wijzend dat deze is gebaseerd op onjuiste aannames over de aard van natuurwetten en voorspellingen. Omdat de toename van de menselijke kennis een oorzakelijke factor in de ontwikkeling van de menselijke geschiedenis is, en omdat geen enkele maatschappij wetenschappelijk de toekomstige toestand van zijn kennis kan voorspellen, is het daarom dus volgens Popper niet mogelijk om een voorspellende wetenschap van de menselijke geschiedenis op te stellen. Voor Popper zijn metafysisch en historisch indeterminisme onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Kritiek op Poppers werk

Popper heeft ook een belangrijk aantal critici. Aan de ene kant zijn daar degenen die de claims van het historicisme of holisme als intellectueel respectabele theorieën erkend willen zien, of die van het marxisme of de psychoanalyse als wetenschappelijke theorieën. Aan de andere kant zijn er ook die de principes of details van zijn wetenschapsfilosofie aanvallen. Er zijn echter weinigen die zijn invloed en belang niet onderkennen en de beoordeling van Popper als 'een van de meest vooraanstaande critici van autoritarianisme van de twintigste eeuw, en ook wellicht de belangrijkste wetenschapsfilosoof in een eeuw met een nog niet eerder vertoonde vooruitgang van de wetenschap' niet zouden onderschrijven.

Begin 21e eeuw ontdekte Michel ter Hark dat Popper een gedeelte van zijn ideeën niet van zichzelf had, maar van zijn leermeester, de Duitse jood Otto Selz. Deze laatste heeft ze echter nooit gepubliceerd, deels doordat hij in 1933 van de nazi's zijn werk moest staken, en door een verbod op verwijzingen naar Selz' werk in die tijd. Ter Hark schreef hierover het boek Popper, Otto Selz and the rise of evolutionary epistemology, en een artikel verscheen in het NRC Handelsblad.