Friedrich Nietzsche

Friedrich Nietzsche in 1882

Friedrich Wilhelm Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900) is een beroemde en invloedrijke Duitse filosoof en filoloog.

Nietzsche werd geboren in Röcken, ten zuidwesten van Leipzig. Hij was de zoon van Karl Ludwich Nietzsche, een dominee die op 30 juli 1849. In 1850 verhuisde de familie naar Naumburg. Nietzsches zus Elisabeth, die later een belangrijke rol speelde bij de receptie van zijn werk, was twee jaar jonger.

Tijdens zijn studie filologie raakte Nietzsche vertrouwd met de klassieke literatuur. In 1869 werd hij hoogleraar te Bazel.

De meeste deskundigen gaan er van uit dat de geestelijke aftakeling, die hem de laatste tien jaar van zijn leven onproductief maakte, het gevolg was van syfilis. Recent onderzoek door Leonard Sax zoekt de oorzaak in een hersentumor in plaats van syfilis.

Na een jarenlang ziekbed stierf Nietzsche in 1900 te Weimar.

Nietzsches Filosofie

Nietzsche werd sterk beïnvloed door de filosoof Arthur Schopenhauer, wiens metafysica van de Wil hij min of meer overnam, zij het dat hij er andere ethische consequenties aan verbond: waar Schopenhauer pleitte voor een ascetische 'apollinische' levenshouding, was Nietzsche juist een voorvechter van een 'Dionysische' bevestiging van de levenswil. Dit strijdlustige concept werd belichaamd door de Übermensch: het in de toekomst levende resultaat van de voortdurende bevestiging van de wil tot macht, die zich tot de huidige mens verhoudt zoals de huidige mens zich verhoudt tot een aap. Deze gedachte vond zijn bekendste uitdrukking in het poëtisch-profetische boek Also sprach Zarathustra.

Omdat Nietzsche rigoureus de aanval inzette op heersende ideeën - inclusief die van hemzelf - noemde hij zichzelf de filosoof met de hamer. Beroemd is in dit verband zijn constatering dat God dood is ( Die fröhliche Wissenschaft, 125). Meer in het bijzonder: de mens heeft God vermoord. De levensontkennende slavenmentaliteit van de joods-christelijke traditie heeft volgens Nietzsche afgedaan. Nietzsche was van mening dat de slavenmoraal was ontstaan als afzetting tegen de heersende orde. Daarom poneerde Nietzsche de slavenmoraal als een moraal, die een externe oorzaak heeft. Hier tegenover stelde hij de heersersmoraal, de moraal, die zonder invloeden van buitenaf ontstond. De slavenmoraal is immer tegen de heersersmoraal gekeerd. De heersersmoraal is de moraal voor degenen die zichzelf als de sterke, de mooie en voorname herkennen. De slavenmoraal staat voor alles wat zwak is in de ogen van Nietzsche.

Nietzsches denken is een voortdurende herwaardering van het voorafgaande met de kennelijke bedoeling uiteindelijk elke metafysica en moraal achter zich te laten.

Het is belangrijk te weten dat Nietzsche de neiging had tegen zichzelf te denken & regelmatig zijn standpunten te herzien. Omwille van die reden, is zijn werk & leven in drie delen te splitsen:

  • eerste periode: de idolatie van Schopenhauer & Wagner, net als voor de Oude Grieken & kunst
  • tweede periode: keert zich tegen al zijn vorige idealen, bekijkt alles nu vanaf een positief-wetenschappelijk standpunt: metafysica, kunst & religie zijn een verraad aan het werkelijke leven, een niet-aanvaarding van het leven dat leed inhoudt
  • derde periode: hij ontwikkelt een eigen waardenleer & overwint zijn nihilisme uit de tweede periode. Vanaf deze periode gaat hij over de dood van God spreken
Richard Wagner en Arthur Schopenhauer

Richard Wagner zou volgens Nietzsche de geest van de Griekse tragedies, waarin de held zelfbewust en krachtig handelt maar ook de kracht heeft zich te voegen naar het noodlot dat voor hem is weggelegd, laten herleven. De mens is onderworpen aan krachten die sterker dan hemzelf zijn en waarop hij zijn wil moet afstemmen. Deze thema's komen terug in de vroege opera's van Wagner. De menselijke helden van Wagner zijn niet aan de goden onderworpen maar zoeken hun eigen lotsbestemming. Het breekpunt met Wagner kwam met de opera Parzifal, waarin Wagner een toenadering tot het christendom zocht.

De wil geldt voor Schopenhauer als levensprincipe en is datgene in de mens dat alles voortstuwt en in beweging brengt. De menselijke geest en de materiële wereld worden door de wereldwil bewogen. De wil en zijn drang tot rusteloze verandering zijn volgens Schopenhauer echter eerder een bron van ongeluk dan van geluk. Schopenhauer zag de wereldwil als veroorzaker van begeerte en de begeerte als een vorm van pijn. Men kon alleen streven naar zo min mogelijk pijn. Aan die veranderlijkheid kunnen we niet ontkomen en berusting is volgens Schopenhauer dan ook het enige dat rest. Schopenhauer beschouwt medelijden en berusting als aangewezen weg uit een wereld van ongeluk. Nietzsche heeft de berustende houding van Schopenhauer niet overgenomen.

Presocratici als voorbeeld

Nietzsche keert zich tegen de verdubbeling van de wereld, de verdeling in een immanente en transcendente orde. Plato en Socrates lieten zich volgens Nietzsche meeslepen door de illusies van het logische denken. De begrippen van de geest lijken stabiel te zijn, maar kunnen onmogelijk wortelen in een wereld die voortdurend aan verandering onderhevig is, zoals door Herakleitos werd gedacht. Plato vond aldus de ideeënwereld uit om aan de eeuwig veranderende wereld te kunnen ontsnappen. Deze splitsing heeft volgens Nietzsche verregaande ethische en metafysische consequenties.

De presocratici waren volgens Nietzsche aan dit drogbeeld van het dualisme en van de verdubbelde wereld in veel mindere mate ten offer gevallen. Zo schreef Herakleitos onder andere: "Men kan nooit tweemaal in dezelfde rivier baden." en "De oorlog is de vader van alle dingen". Nietzsche neemt deze gedachten over en ziet de werkelijkheid als een geheel van elkaar tegenwerkende krachten waaruit hij uiteindelijk wil tot macht destilleert.

Nietzsche als retoricus

Het leven is volgens Nietzsche een strijd waar ieder probeert de anderen te onderwerpen. Nietzsche argumenteert niet: "Wat heb ik met argumenten te maken?". Hij gebruikt retorisch geweld waarmee hij zijn lezers probeert te overdonderen en te verleiden.

Logica is volgens Nietzsche ondergeschikt aan de retoriek en maakt deel uit van een veel breder krachtenveld dat in de menselijke communicatie leidt tot overtuiging en overreding.

Nietzsche oreert in alle openheid, zonder te veinzen een redelijke of wetenschappelijke argumentatie te geven. Dat maakt het moeilijk met hem in discussie te treden, te meer omdat hij zijn visie nergens samenhangend heeft weergegeven. We begeven ons op het pad van de illusie van de ene waarheid zodra we begrippen gebruiken. Aan deze illusie kunnen we niet ontkomen, maar we moeten wel proberen deze illusie steeds weer te doorbreken om ons bewust te blijven van het feit dat er niet één waarheid, maar slechts een perspectivisme van vele waarheden is. Daarom is zijn stijl fragmentarisch, afwisselend, zonder afgerond geheel.

Epistemologie

Volgens Nietzsche berust de begripsmatige identiteit van mensen en dingen op een constructie en niet op een buiten het bewustzijn staande werkelijkheid (subjectivisme). In het denken geven we de wereld een stabiliteit die ze niet heeft, we bakenen vaste objecten af door ze te benoemen. Deze identificatieoperatie levert ons ook een identiteit: het 'ik'.

De tijd is volgens Nietzsche een onafgebroken voortgaand medium, waar alleen het nu bestaat. Alles is vluchtig, niets is blijvend. De beweging van ontstaan en vergaan noemen we tijd, ze lost iedere identiteit op. Deze visie van het zelf is vrijwel identiek met de boeddhistische visie.

Het is voor het menselijk bestaan van levensbelang de wereld te kennen. Alhoewel onze begrippen illusoir en metaforisch zijn, zijn ze onmisbaar om te overleven. Onze begrippen rusten weliswaar op metaforen, maar ze mogen niet als nutteloos worden bestempeld. We construeren volgens Nietzsche de werkelijkheid door namen en begrippen te formuleren. Dit is de leugen die ten grondslag ligt aan alle kennis. Met het uitvinden van het kennen stelt de mens zichzelf centraal in de wereld. Hij is dan geen deel meer van die werkelijkheid. Nietzsche is aldus de inspirator van het sociaal constructivisme.

De manier waarop we de wereld structuur geven is niet belangeloos. Zij is toegesneden op onze behoeften. We laten de wereld op onszelf lijken en zetten haar naar onze hand. Zie in dit verband ook de wetenschapsantropologie van Bruno Latour. Nietzsche bekritiseert niet dat we met ons denken de wereld vereenvoudigen, maar dat we daarmee beweren dat deze vereenvoudiging het echte beeld van de wereld is.

De begrippen ordenen zich tot een logische hiërarchie waardoor een systeem dat redeneren mogelijk maakt ontstaat. We zullen de zekerheid echter nooit bereiken omdat we met de rede de werkelijkheid vervormen.

De metafoor is in Nietzsches kentheorie van fundamenteel belang. Hier is niet meer de rede aan het werk, maar de verbeeldingskracht en dat is niet een logisch, maar een esthetisch. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty heeft zich door Nietzsches kennisleer laten inspireren in die zin dat hij filosofie als een vorm van kunst ziet, in plaats van een absoluut kennen.

Kennen is volgens Nietzsche geen neutrale bezigheid, het is een instrument. Kennis is de verbinding tussen het denken en de werkelijkheid. Het heeft de taak de werkelijkheid zo te vervormen dat ze voor ons leefbaar wordt. De wetenschap is volgens Nietzsche gebaseerd op een kunstmatig beeld van de werkelijkheid en zal op een bepaald moment aan haar grenzen komen. Ons denken kan geen greep hebben op een nimmer stabiele werkelijkheid.

Het onderscheid tussen 'zijn' en 'schijn', zoals bij Plato het geval is, verdwijnt in Nietzsches filosofie. Wanneer alleen datgene bestaat wat verschijnt, kan geen onderscheid worden gemaakt tussen waarheid en drogbeeld. De wereld doet zich voor in een oneindig aantal verschijningsvormen. We nemen de wereld waar conform onze behoeften, belangen en gesteldheden. Kennen is volgens Nietzsche aldus een vorm van geweldsuitoefening.

Nietzsches kennisleer is perspectivistisch en er is volgens hem geen objectieve waarheid. Het perspectief is waar alleen voor degene die het perspectief ontworpen heeft. Waarheid is niets anders dan een illusie die gepaard gaat met een bepaald perspectief.

Esthetica

In de Griekse tragedie zijn twee tendensen werkzaam: het apollinische dat streeft naar orde, schoonheid en regelmaat, en een Dionysische die tracht alle orde en regelmaat teniet te doen in een liturgie van roes en oorspronkelijke chaos. Deze twee tendensen zijn volgens Nietzsche in alle kunstvormen, in verschillende mate, aanwezig.

De Griekse tragedie was oorspronkelijk een uitdrukking van het redeloos en gewelddadig voortstromen van het leven. In de oude Griekse tragedie gaat de held of heldin ten gronde aan een onverzoenlijke tegenstelling waarin de goden hem of haar hebben geplaatst. De tragedie vormt de religieuze uitdrukking van het besef dat de rede nooit definitief vat kan krijgen op de werkelijkheid. In de tragedie worden volgens Nietzsche het apollinische en het dionysische versmolten. Het dionysische gaf de tragedie haar kracht, maar het apollinische maakte haar mogelijk als vorm van kunst. Later overheerst het apollinische in de Griekse kunst, vooral dankzij Euripides en Socrates. Apollo raakt, beroofd van zijn tegenhanger Dionysus, ontaard.

Nietzsche gebruikt Plato's visie op schijn en werkelijkheid, maar draait het om. Onze dagelijkse realiteit is een afschaduwing van de primaire werkelijkheid, die Nietzsche het 'Oer-Ene' noemt. In tegenstelling tot bij Plato is dit geen werkelijkheid van statische ideeën, maar juist van een onophoudelijk in beweging verkerend spel van krachten. Nietzsche keert aldus het platoonse wereldbeeld om, de werkelijkheid is de chaos, terwijl de wereld die we waarnemen de gestolde werkelijkheid is.

Voor zowel Plato als Nietzsche is de werkelijke wereld schijn van schijn. In onze dagelijkse wereld scheppen we een illusoire schijnwereld waarin het worden tot staan is gebracht. De kunst en de droom is op te vatten als een illusie van een illusie of schijn van schijn. Bij Nietzsche is het apollinische de schijn en het dionyische is de werkelijkheid. Hij draait Plato's visie op schijn en werkelijkheid om en trekt radicaal tegenovergestelde conclusies. Nietzsche heeft wel begrip voor deze illusie omdat het nodig is om te overleven. De grote fout van Plato is dat hij het dionysische verwaarloosd heeft.

Schoonheid is volgens Nietzsche niet het belangrijkste in de kunst. Kunst moet het wezen (tegengestelde krachten) van de werkelijkheid uitbeelden. Schoonheid behoort tot het apollinische, de hoogste vorm van schijn in de slechte zin van het woord.

Naarmate de tragische kunst wijst op de overrompelende waarheid van de werkelijkheid, heeft ze werkelijk openbaringskarakter en komt ze het filosofisch inzicht het dichtst nabij. Toch kan de kunstenaar het apollinische niet missen. Hij moet zijn dionysische inspiratie kunnen vormgeven.

Ethiek

In zijn natuurfilosofie, metafysica, kentheorie en esthetica verzet Nietzsche zich tegen iedere vorm van verdubbeling van de werkelijkheid.

Nietzsche verwijt Plato, Socrates en hun opvolgers onoprechtheid in die zin dat zij hun ogen sluiten voor de werkelijkheid en hun toehoorders een rad voor ogen draaien. Zij fnuiken het eigen verlangen van iedereen, dat uit is op kracht en macht, en buigen dat af naar een hiernamaals of een geloof in een sublieme moraal. De mensheid verandert hierdoor volgens Nietzsche van sterke individuen naar een kudde schapen.

Nietzsches moraalkritiek:

  • Moraal ontkent de menselijke werkelijkheid (de wil tot macht)
  • Moraal is een dekmantel voor machtshonger van de 'priesterkaste'

De moraalpredikers vechten niet met open vizier. Ze ontkennen de wil tot macht, maar gebruiken de moraal voor hun eigen machtshonger. Ze laten mensen geloven in een schimmige bovenwereld die de werkelijkheid ontkent. Waarden worden geprojecteerd in een bovenwereld en raken daardoor hun kracht kwijt.

Nietzsche gebruikt de 'genealogische methode' en doet historisch onderzoek naar de oorsprong van de moraal. De geschiedschrijving is nooit objectief, zij draagt steeds een bepaald perspectief en een bepaald belang uit. De genealogische methode vraagt naar vooronderstellingen en machtseffecten van morele stelsels. Nietzsche wil zo de platonische, christelijke en burgerlijke moraal ontmaskeren.

Nietzsche heeft zich afgekeerd van de christelijke moraal. Dit hangt direct samen met een afwijzing van de bovenwerelden. We hebben volgens Nietzsche geen andere keus dan de wereld te beamen zoals hij is, inclusief alle leed. Alle bovenwerelden zijn bedacht om het lijden en het menselijk onbehagen uit te kunnen houden.

Nietzsche heeft kritiek op de utilistische moraal van de Engelse filosofen zoals Jeremy Bentham en John Stuart Mill. De utilisten gaan uit van de vooronderstelling dat het kwalificeren van een handeling als goed of slecht toekomt aan degenen die daarvan het voorwerp zijn. Dat is volgens Nietzsche echter niet vanzelfsprekend. Het toekennen van namen aan de werkelijkheid is een uiting van macht. Het kwalificeren van goede en slechte daden komt dus aan de machtigen, de actieven, toe. De sterken en de handelenden gaan niet uit van het nut voor de ander of voor de samenleving, maar vanuit hun eigen gevoel van krachtontplooiing, hun eigen verhevenheid en suprematie.

Nietzsche suggereert dat een omwenteling van ethische waarden heeft plaatsgevonden. De moraal van de zwakken overheerst de moraal van de sterken omdat de zwakken nu bepalen wat 'goed' is of niet.

Aanvankelijk bepaalde de sterke mens wat goed was: de oude riddermoraal, grootsheid en belangeloosheid. Nietzsche onderscheidt een aristocratische en een volkse of slaafse moraal. De aristocraat streed voor zichzelf, maar niet uit winstbejag of zelfbehoud. Het slechte was het 'minne', het minderwaardige. Het 'slechte' volk kwam in opstand tegen de aristocraat door een subtiele omvorming van de moraal en morele terminologie. Zij gingen een houding van duldzaamheid en onderworpenheid goed noemen, slecht was datgene wat er tegenover stond, de aristocraat. Dit is een illustratie van de omkering van de moraal.

De aristocratie heeft volgens Nietzsche de kracht in zichzelf; zij is de dominante kracht en bepaalt zo de werkelijkheid, die ze daarmee beaamt. Het ressentiment laat zich bepalen door iets van buitenaf (de herenmoraal) waartegen het reageert: het definieert zichzelf door nee te zeggen tegen datgene wat wél de kracht had om tegen het bestaan ja te zeggen. Het ressentiment meent dat achter het handelen van een persoon een oorsprong schuil gaat die voor dat handelen verantwoordelijk is. Het subject is in het ressentiment een neutrale abstracte instantie. Nietzsche ontmaskert het subject echter als een morele illusie. Nietzsche wil de handelende persoon niet losmaken van de handeling zelf en aanvaardt deze tweede werkelijkheid niet.

De hemel is een uitvinding van het ressentiment, dat de sterken gestraft wil zien. De illusie van het hiernamaals komt zo voort uit haat tegen de sterksten. Nietzsche illustreert deze haatdragendheid met een citaat van Thomas van Aquino, die zegt dat het zien lijden van de zondaars in de hel een van de geneugten van de hemel zelf is. Het perspectief van zaligheid is er een van haat en niet van liefde. Werkelijke liefde is van de aristocraten: onbaatzuchtig, respectvol, ook voor hun vijanden.

De hypothetische uitleg vat Nietzsches genealogie van de moraal niet op als een waarheidsgetrouw relaas van de geschiedenis, maar een provocerende en tegendraadse fictie die ertoe aanzet om de claims van morele stelsels niet zonder meer te geloven. Goede bedoelingen, (onbewust) zelfbedrog uit eigenbelang en bewuste leugens zijn veeleer met elkaar verstrengeld dan netjes gescheiden.

Een realistische uitleg ziet Nietzsches relaas als waarheidsgetrouw en tevens als bruikbaar concept voor het heden en kan zo een inspiratiebron vormen voor proto-fascistische ideologie. De realistische uitleg gaat uit van het individu, hetgeen echter moeilijk te rijmen is met Nietzsches uitspraken dat het individu geen eenheid vormt maar is samengesteld uit vele drijfveren en machtsquanta. Ook is het niet consequent om het door Nietzsche aanbevolen wantrouwen jegens iedere waarheid te laten varen in de omgang met de waarheden die hij zelf aanprijst.

We moeten de wereld accepteren zoals zij is en moeten aanvaarden dat wij in het spel der krachten zijn opgenomen. Niet als een willend individu, maar als een samenstel van krachten dat aan andere krachten om ons heen is blootgesteld. Dit is de kosmische-mystiek in Nietzsches filosofie.

Voor beide interpretaties zijn argumenten aan te voeren. Nietzsche heeft zich echter nooit ondubbelzinnig uitgelaten over de uitleg van zijn filosofie.

Nietzsches toekomstvisie en invloed

Nietzsche verwachtte dat het nihilisme in de nabije toekomst een absoluut dieptepunt zou bereiken, de totale vervlakking en uitwissing van alle waarden. Nihilisme in Nietzscheaanse zin is het punt van totale onverschilligheid waar de platonisch-christelijke traditie instort. Na de periode van nihilisme volgt een omslag in de figuur van Zarathustra. Hij verkondigt dat er slechts één wereld is en dat elke hoop op heil vanuit een bovenwereld ijdel is.

De Wille zur Macht is de laatste waarheid en is het product van krachten. Waarheid is wisselend, nooit definitief, altijd partieel en partijdig, altijd perspectivistisch. De perspectivistische waarheid is waar voor de ontwerper van het perspectief. Deze waarheden zijn volgens Nietzsche tegelijk waar en niet-waar, zijn en schijn.

Nietzsche propageert aanvaarding van het leven en het lijden zoals het is, zonder berusting. Berusting was de oplossing van Schopenhauer en het boeddhisme, die Nietzsche na zijn eerste geschriften is gaan verwerpen. Nietzsche wil het menselijk bewustzijn terugplaatsen in de natuur waarin de geest een orgaan is dat dient om het leven te kunnen leven. De mens bezit kennis om hem houvast te geven en redeneervermogen voor kracht en slimheid om de werkelijkheid te beïnvloeden. Kennis en rede zijn volgens Nietzsche te ver doorgeschoten hulpmiddelen. Het terugplaatsen in de natuur is correctie daarop.

De 'grote gezondheid' is een leven dat opgaat in de natuur en alle krachten instinctief goed gebruikt zonder ze laten af te tappen door een metafysische schijnwereld. De grote gezondheid veronderstelt een radicale ommekeer in ons denken en vooral de beleving van onze waarden.

Het morele universum van de slaaf moet plaats maken voor dat van de aristocraat. De werkelijk aristocratische mens heeft eerbied voor zichzelf, voor de kracht in hem, die zich uit in zijn driften en behoeften en in de waarheden die hij projecteert op de wereld. Nietzsche ziet geweld als een deugd omdat strijd een intrinsiek gegeven van de natuur is. Geweld met open vizier staat echter boven achterbaks geweld dat, volgens Nietzsche, onder het mom van menslievendheid de mens knecht en breidelt. Dit betekent echter geen vrijbrief voor 'het blonde beest', een term uit de Genealogie van de moraal, dat door het nazisme is opgepakt.

Eeuwigheid bestaat volgens Nietzsche niet en dus is de mens eindig en zal hij uiteindelijk ondergaan. Men moet door pijn getuchtigd worden tot steeds sterkere liefde voor het leven zoals het is en niet zoals een zwakke wil zou wensen dat het was.

De bevestiging van het leven is voor Nietzsche onvoorwaardelijk en de ultieme test voor deze wil tot leven is de vraag of men het leven, smartelijk als het is, eventueel oneindig zou willen herhalen, steeds opnieuw, nooit beter of slechter dan het nu is – 'De eeuwige terugkeer van hetzelfde'. In De vrolijke wetenschap brengt Nietzsche de eeuwige terugkeer van hetzelfde leven in hypothetische vorm, in Also sprach Zarathustra behandelt hij het als een vaststaand gegeven, een dogma. De Übermensch is de vertolking van deze wil, de mens die het leven ten volle beaamt.

Centraal in de doctrine van Nietzsche staat het besef dat:

  • Zijn en schijn onlosmakelijk met elkaar verweven zijn;
  • Er slechts één wereld is, waarmee we zullen moeten leren leven;
  • Deze wereld een wereld van wording en een blind spel van krachten is, waarvan wij zelf de producten en dragers zijn;
  • Wij deze krachten niet mogen verloochenen, maar zowel de bevrijdende (kracht, vreugde, dominantie, sterkte) als de smartelijke (leed, onherstelbaar verlies) kanten daarvan moeten omarmen;
  • De beslissende vraag of wij tot deze roeping van de Ãœbermensch in staat zijn, ligt in de vraag of wij het leven zoals dat is in een eindeloze herhaling zouden willen leven;
  • Elke verleiding om een bestaan en rechtvaardiging daarvan te zoeken buiten de zuivere natuurlijkheid van de mens een verzwakking van het leven is;

Zarathustra is sterk en trots maar komt toch van de bergen naar onder. Hij daalt af van zijn ivoren toren en mengt zich onder de mensen in wie hij zal ondergaan. De behoefte zich als individu te identificeren en zich boven alles te verheffen is een laatste vorm van de illusie waarmee het waarheidsdenken afzonderlijke elementen van de werkelijkheid afbakent en onveranderlijk verklaart.

In plaats van een herenras van Ãœbermenschen tekent zich, in het verlengde van deze ondergang van Zarathustra en de door hem gepreekte nieuwe mens, eerder een toekomstmens af die met de wereld vervloeit, zich van zijn onlosmakelijke verbondenheid met het kosmische spel der krachten bewust is en dit zonder voorbehoud beaamt en wil.

Dit maakt het onmogelijk om de Ãœbermensch te interpreteren als een zelfstandig, trots en alles aan zich onderwerpend individu dat de heer van de wereld zou willen zijn.

Een coherente interpretatie van Nietzsches ideeën wijst eerder in de richting van een kosmisch bewustzijn en een niet christelijke mystiek dan die van een politiek en maatschappelijk regime van gewelddadige ego's.

De receptie van Nietzsches werk

Het begin van Nietzsches beroemdheid viel ironisch genoeg samen met zijn krankzinnigheid die voor goed toesloeg in 1889 nadat hij huilend de nek van een afgeranseld paard omhelsd had in Turijn. In Duitsland nam zijn populariteit zienderogen toe. Daar waar hij voor zijn krankzinnigheid toesloeg enkel werd gelezen door een beperkte groep mensen in avant-gardekringen bereikte hij plotsklaps de grote massa. Veel was te danken aan een kleine schare vroege commentatoren waaronder Henri Lichtenberger maar ook de inbreng van Nietzsches zus Elisabeth Förster-Nietzsche was groot. Zij richtte onder mee het Nietzsche-Archiv op in Weimar dat op haar aanvraag door Henry van de Velde in 1903 werd verfraaid. Het Nietzsche-Archiv zette zich sterk in voor de verspreiding van Nietzsches populariteit. Hij werd opgenomen in reclame-advertenties en zijn beeltenis hing op in vele Duitse woonkamers. Zijn cultstatus bereikte bijna het niveau van Otto von Bismarck. Na de bijbel was Nietzsches Also sprach Zarathustra het meest gelezen boek van de Duitse soldaten aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog. In het begin van de twintigste eeuw had Nietzsche eveneens veel invloed op diverse Duitse dichters. Nietzsches filosofie werd ook gebruikt door het opkomende nazisme, krachtig gesteund door zijn zus Elisabeth. Na de Tweede Wereldoorlog werd zijn filosofie 'gedenazificeerd'. In de voormalige DDR waren zijn boeken tot aan de val van de muur verboden.

In Frankrijk, maar ook in België verschenen de eerste vertalingen pas in de late jaren '1890. Eerst erg fragmentarisch in La Société Nouvelle vanaf 1892 met commentaar van Georges Dwelshauvers maar nadien zou Henri Albert de vertaling van Nietzsche monopoliseren en zijn volledige oeuvre vertaald op de markt brengen. Nietzsche was aanvankelijk vooral populair in anarchistische en progressieve avant-gardekringen. In Frankrijk werd hij een rage onder intellectuelen. Er ontstond (Vooral Georges Bataille) een interpretatie van zijn werk waarin Nietzsche werd gezien als criticus en als mysticus. Hierin stond de idee dat het denken zich uiteindelijk op niks kon baseren centraal.

De nietzscheaanse wind kwam ook België binnengewaaid vanuit Frankrijk. Een sterk katholieke tegenreactie maakte echter voldoende anti-reclame om Nietzsche uit de populariteit te houden. De moraalfilosofische ideeën van Nietzsche werden immers gezien als een frontale aanval op de christelijke moraliteit die de Belgische samenleving aan het einde van de 19e eeuw nog stevig in haar greep had. Op academisch niveau werd hij zowel aan de K.U.Leuven als aan de Université Libre de Bruxelles en beide rijksuniversiteiten te Gent en Luik geschuwd als filosoof. In de artistieke avant-gardemilieus rond tijdschriften als La Jeune Belgique, L'Art Moderne, Durendal en Van Nu en Straks was zijn aanwezigheid marginaal en werden zijn leerstellingen evenveel bestreden als bejubeld. Ook bij de Belgische anarchisten had hij zowel voor- als tegenstanders. Hij was in België geen onbekende, maar verwierf er bijlange niet dezelfde populariteit als in Frankrijk of Duitsland.

In Nederland oefende Nietzsche een beperkte aantrekkingskracht uit op de redactie van De Nieuwe Gids. Later zou ook Menno Ter Braak en volgens sommige bronnen ook Maarten 't Hart sterk door Nietzsche beïnvloed zijn geweest

In de Verenigde Staten en Groot-Brittannië werd vooral aandacht besteed aan zijn metafysische en kentheoretische ideeën. De aandacht voor Nietzsche kwam er pas na 1900.

In 1961 verschijnt een belangrijke studie over zijn werk door Martin Heidegger. Hij kenmerkt Nietzsche als de laatste metafysicus. Alhoewel Nietzsche de metafysica ziet als een vorm van verdubbeling van de wereld, gelooft hij echter nog steeds aan een laatste metafysisch principe, de wil tot macht.

Nietzsche vormde een inspiratiebron voor het postmodernisme. Centraal hierin stond het perspectivisme in Nietzsches filosofie en het wezenlijk metaforische karakter van de taal.

Nietzsches Werken

  • 1872 - Die Geburt der Tragödie (De geboorte van de tragedie)
  • 1872 - Ueber die Zukunft unserer Bildungsanstalten (Over de toekomst van ons onderwijs)
  • 1873-1876 - Unzeitgemässe Betrachtungen (Oneigentijdse beschouwingen)
  • 1878-1880 - Menschliches, Allzumenschliches (Menselijk, al te menselijk)
  • 1881 - Morgenröthe (Morgenrood)
  • 1882 - Die fröhliche Wissenschaft (De vrolijke wetenschap)
  • 1883-1885 - Also sprach Zarathustra (Aldus sprak Zarathoestra)
  • 1886 - Jenseits von Gut und Böse (Voorbij goed en kwaad)
  • 1887 - Zur Genealogie der Moral (Over de genealogie van de moraal)
  • 1888 - Der Fall Wagner (Het geval Wagner)
  • 1889 - Götzen-Dämmerung (Afgodenschemering)
  • 1889 - Der Antichrist (De antichrist)
  • 1889 - Ecce Homo
  • 1889 - Dionysos-Dithyramben
  • 1889 - Nietzsche contra Wagner
Bron(nen):
  • Steenstra, S.G. (red.), Inleiding in de filosofie: Hedendaagse filosofie (Open Universiteit, Heerlen 1994), ISBN 9035812646.