Arthur Schopenhauer

Arthur Schopenhauer (Danzig, 22 februari 1788 - Frankfurt, 21 september 1860) was een Duits filosoof die een uitgesproken pessimistische wereldbeschouwing formuleerde. Hij staat tevens, als een van de weinige filosofen, bekend als een groot stilist.

Schopenhauer groeide op in een koopmansfamilie met Hollandse wortels ("Mijn vader, Heinrich Floris, sprak nog heel goed Hollands," schrijft hij in een brief uit 1857, "Ik echter in het geheel niet.") Zijn ouders namen hem op vijftienjarige leeftijd mee op een reis door Europa, om hem kennis te laten maken met andere talen en culturen. Schopenhauer maakte zich het Frans en Engels vlot eigen, maar werd vooral getroffen door het lijden en de menselijke wreedheid die hij overal ontwaarde. In 1805 kwam zijn vader dodelijk ten val in een pakhuis. Mogelijk was het zelfmoord. Zijn moeder, Johanna, behoorde tot de kring rond Goethe in Weimar, en Schopenhauer leek in Goethe een vervangende vaderfiguur te zoeken. Het kwam echter snel tot een breuk tussen de twee zelfbewuste geesten, al is Schopenhauer Goethe zijn leven lang blijven bewonderen.

Na een afgebroken medicijnenstudie ging Schopenhauer filosofie studeren ("Het leven is een hachelijke onderneming; ik heb besloten het door te brengen met erover na te denken"). Zijn dissertatie Ãœber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde verscheen in 1813.

In 1819 kwam zijn hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung uit, waarin hij, naar eigen zeggen, niet alleen reeds alles had beweerd wat hij de mensheid te melden had, maar ook het wereldraadsel definitief had opgelost. Het werk werd voornamelijk met stilzwijgen beantwoord.

In 1819 vond hij het tijd worden ook eens praktisch in het leven te staan. Om die reden solliciteerde hij met succes naar een vacante leerstoel voor wijsbegeerte aan de Humboldt universiteit in Berlijn. Uiteraard was hij vast van plan de filosofische tijdgeest (Hegel) eens flink uit te dagen en op z'n nummer te zetten. Als docent aan de universiteit van Berlijn roosterde hij zijn colleges moedwillig in op de tijden dat de populaire en invloedrijke Hegel doceerde, met als gevolg dat nagenoeg niemand Schopenhauers colleges bezocht. Zijn loopbaan als docent duurde slechts één zomersemester. 1822 begint hij aan zijn tweede Italiereis. Na diverse omzwervingen vestigde hij zich in 1833 te Frankfurt. Zijn werken zouden voortaan worden opgeluisterd met bloemrijke tirades tegen de filosofieprofessoren, met name Hegel en de hegelianen.

Wat hij de rest van zijn leven schreef diende enkel ter illustratie en bevestiging van zijn hoofdwerk, waarvan in 1844 een tweede deel verscheen. Tegen het einde van zijn leven verschaften de in Parerga und Paralipomena verzamelde verhandelingen hem plotseling aanzienlijke roem. De toegankelijkheid van dit werk en de weinig succesvolle revoluties van 1848 zullen hieraan hebben bijgedragen.

Wil en voorstelling

Evenals Kant maakt Schopenhauer onderscheid tussen de verschijnselen en het Ding an sich. De wereld is mijn voorstelling, zegt hij de idealisten na, maar ik kan me niet om het even wat voorstellen; er is een dwingend beginsel dat ik in eerste instantie in mijzelf ervaar, het is mijn drijvende kracht, mijn wil. In de wil leren we het Ding an sich van zeer nabij kennen. In het bewustzijn manifesteert het zich als wil, maar het is hetzelfde beginsel dat overal in de levende en dode natuur werkzaam is. Omdat we het alleen in onszelf onbemiddeld kunnen ervaren noemt Schopenhauer het de wil. De menselijke wil wordt gestuurd door motieven maar is zelf blind en dom. Het is de drang om te bestaan die in alles werkzaam is, en tevens de bron van het oneindige lijden van de wereld: alles vecht om te bestaan en in de levende natuur wordt geen verlangen definitief bevredigd, en dat allemaal zonder enige reden en zonder enig doel.

De wil is niet alleen blind en dom, maar ook onvrij. De wil is noodzaak, precies die noodzaak die we in de natuur leren kennen als causaliteit, waarin we indirect de wil aan het werk zien. De objectivaties van de wil, of objectiteiten, rangschikt Schopenhauer in een hiërarchie: van mineralen, via de levende natuur tot de menselijke geest, waarin de wil tenslotte zichzelf kan kennen. Zoals oorzaken in de natuur gevolgen afdwingen, zo worden de menselijke wilsacten gedetermineerd door de motieven. Ik kan niet op hetzelfde moment zowel het een als het ander willen. Ik kan twijfelen, delibereren, worstelen met gevoelens, wikken en wegen, maar mijn uiteindelijke wilsact zou daar een noodzakelijk gevolg van zijn, de resultante van alle motieven voor en tegen. Immers, ik kan niet willen wat ik wil; dat zou een oneindige regressie van willen veronderstellen, hetgeen absurd is. Het denken onttrekt zich dus niet aan de wet van de toereikende grond waaraan de gehele natuur onderworpen is, en de hersenen, als substraat van het denken, verschillen in dit opzicht niet van ieder ander fysisch object. Is er een uitweg mogelijk uit dit determinisme? Volgens Schopenhauer wel, maar dat veronderstelt een hogere ethische zienswijze, zoals Kant die ons heeft geleerd; het verstand kan niet zonder meer buiten de categorieën om denken, en ontkomt derhalve niet aan de causaliteit.

Is er wellicht een praktisch ethisch antwoord mogelijk op een wereld die enkel uit ellende en verdriet bestaat, waarin alles strijdt om het bestaan, en waarin alles wat met bewustzijn is begiftigd gedreven wordt door egoïstische motieven? Welzeker, dat antwoord is de consequent doorgevoerde negatie van de wil: in eerste instantie de grenzeloze onzelfzuchtigheid, dat wil zeggen het medelijden, en uiteindelijk de negatie van de wil tot leven zelf. Schopenhauer treft een dergelijke ethiek aan in de christelijke ascese, het boeddhisme en de leer van de door hem bewonderde Oepanisjaden, kortom in religies en levensfilosofieën waarin de wereld vóór alles een tranendal is. De religie biedt het volk deze ware ethiek in de vorm van begrijpelijke sprookjes; de filosoof komt tot dezelfde conclusies langs de weg van het denken en het inzicht. Daarom is Schopenhauer weliswaar atheïst, maar niet antireligieus.

Overigens bracht Schopenhauer de ascese zelf niet in de praktijk. Integendeel: hij was een echte levensgenieter. En genoot van eten en drinken.

Tijdelijke verlossing biedt de kunst: "Het rad van Ixion staat stil." De treurige wereld van de voorstelling wordt buitenspel gezet: de beeldende kunst spreekt tot ons via de wereld der platoonse Ideeën, en de muziek spreekt zelfs rechtstreeks tot de wil en raakt daarmee aan de essentie van het bestaan. Na onze esthetische extase worden we echter meedogenloos teruggeworpen in ons deerniswekkende bestaan.

De invloed van Schopenhauer was vooral groot op kunstenaars, in het bijzonder Richard Wagner, Leo Tolstoj, Marcel Proust, Thomas Mann en Gerard Reve, maar ook op filosofen, zoals Friedrich Nietzsche, die in zijn hele leven is blijven worstelen met zijn houding jegens de filosoof van het medelijden.