Alexandre Dumas père

Alexandre Davy de La Pailleterie Dumas, beter bekend als Alexandre Dumas père, (Villers-Cotterêts (Aisne), 24 juli 1802 – Puys (nabij Dieppe, Seine-Maritime), 5 december 1870) was een Frans dramaturg en schrijver van hoofdzakelijk historische romans. Hij schreef ook artikels voor kranten en tijdschriften en liet een uitgebreide briefwisseling na.

Hij is de vader van Alexandre Dumas fils, die eveneens schrijver was, o. a. van het beroemde werk La Dame aux Camélias.

Leven

Afkomst

Alexandre Dumas was een telg van een Normandisch adellijk geslacht. Zijn vader, de Franse generaal Thomas Alexandre Dumas (1762-1806), was de zoon van Antoine Alexandre Davy, marquis de La Pailleterie. Dumas’ grootvader diende de Franse regering als Général commissaire in de Franse kolonie San Domingo (het hedendaagse Haïti). Daar huwde deze een zwarte slavin, Marie-Césette Dumas, die in 1762 het leven gaf aan Dumas’ vader en stierf in 1772.

In 1780 keerden de markies en zijn achttienjarige zoon terug naar Normandië. Door zijn gemengde afkomst had Dumas’ vader het moeilijk om zich als mulat staande te houden in een samenleving waarin slavernij nog steeds bestond. Thomas Alexandre was gefascineerd door de jacht en de oorlog en ging, tegen de wil van zijn vader, in 1786 in krijgsdienst. Om de reputatie van de familie van zijn vader te vrijwaren, schreef hij zich in onder zijn moeders meisjesnaam. Bij het uitbreken van de Franse Revolutie, waarbij de markies zijn domeinen verloor, was Thomas Alexandre nog maar een gewoon soldaat, maar hij steeg snel in de rangen en kreeg de generaalsrang in 1793. Hij was getuige van de revolutie en de opkomst van Napoleon Bonaparte en diens krijgstochten. Thomas Alexandre kwam echter al zeer snel met de nieuwe keizer in conflict omwille van zijn republikeinse sympathieën en werd gedwongen ontslag te nemen. Hij trok zich terug in het provinciestadje Villers-Cotterêts (Aisne) om er een renteniersbestaan te leiden. Hij huwde er Marie-Louise-Elisabeth Labouret, die op 24 juli 1802 beviel van Alexandre Dumas. Niet lang daarna, in 1806, stierf Thomas Alexandre Dumas aan een maagkwaal.

Jeugd

Door de dood van zijn vader, groeide Alexandre Dumas op in vrij povere omstandigheden. Zijn moeder kon hem niet veel opvoeding bieden. De enige – vrij rudimentaire – opvoeding die hij kreeg was van een priester. Ondanks dat gaf de jonge Dumas toch blijk van een vlug en scherp verstand en nam hij alles vlug in zich op. Hij verruimde zijn kennis ook door het lezen van boeken, die hij als het ware verslond. Dumas bleek een levenslustige jongen te zijn, met een levendige verbeelding, die werd gevoed door de verhalen die zijn moeder vertelde over zijn vaders heroïsche militaire daden. Hoewel Dumas’ familie verarmd was, had zij toch nog de vooraanstaande reputatie van de vader en diens aristocratische connecties.

Dumas werkte aanvankelijk als derde klerk bij een plaatselijke notaris, maar bleef dromen van Parijs. Zo liep hij in 1822 weg van kantoor naar de Franse hoofdstad met slechts enkele centen op zak. Tijdens deze escapade kwam hij zelfs in het Théâtre Français oog in oog te staan met de grote acteur Talma. Na deze uitstap keerde hij terug naar huis. Het Parijse avontuur had hem echter sterk beïnvloed. Het provinciale leven werd hem ondraaglijk en hij besloot met zijn werkgever te breken om zijn geluk in Parijs te gaan beproeven. Gewapend met aanbevelingsbrieven van zijn moeder zocht hij hulp bij zijn vaders kennissen, wat hem een baan als afschrijver opleverde op het secretariaat van de hertog van Orléans.

Literair debuut

Kort na zijn aankomst in Parijs begon Dumas een relatie met een jonge gescheiden linnennaaister uit Rouen, Marie-Cathérine Labay, met wie hij in 1824 een zoon zou krijgen, Alexandre Dumas fils, die eveneens schrijver zou worden. Dumas aanvaardde zijn zoon echter pas in 1831 en verwierf hoederecht over zijn zoon na een rechtszaak. Dumas’ moeder trok in die periode ook bij haar zoon in en bleef bij hem wonen tot haar dood in 1838.

Zijn literair werk bestond in het begin hoofdzakelijk uit vaudevillestukken en melodrama’s, die hij schreef in samenwerking met zijn vriend Adolphe de Leuven, de zoon van een verbannen Zweedse edelman. Hun eerste stuk, La Chasse et l’Amour, werd vertoond in 1825. Hij had ook de hand in een ander vaudevillestuk, getiteld La noce et l’enterrement. In eerste instantie oogstte Dumas weinig succes. Zijn eerste grote succes kwam er in 1829 met het toneelstuk Henri III et sa cour, dat kan worden beschouwd als het eerste grote succes van het romantisch drama. Door het stuk werd Dumas ook opgemerkt door de groten van de romantische beweging zoals Victor Hugo en Alfred de Vigny. Ook de hertog van Orléans, die de voorstelling had bijgewoond, was onder de indruk en nam Dumas in dienst als bibliothecaris in het Palais Royal.

Dumas’ eerste succes werd gevolgd door nog een succesvol toneelstuk, Christine (1830), over Christina van Zweden. Het stuk dateerde van voor Henri III et sa cour, maar Dumas had ten tijde van de repetities besloten om het stuk toch niet op te voeren omwille van allerlei problemen, o. a. met de actrice Mlle Mars. Door deze successen was het voor Dumas mogelijk om van zijn pen te leven en zijn baan op te geven.

De succesvolle toneelschrijver

Dumas speelde een actieve rol in de revolutie van 1830, die zijn voormalige werkgever, de hertog van Orléans, op de troon bracht als de Burgerkoning Lodewijk Filips. De revolutie zorgde ervoor dat Dumas voor even het literaire toneel verliet. Zo werd hij door La Fayette op verschillende missies gestuurd, o. a. naar Soissons en naar de Vendée. Door enkele slecht onthaalde raadgevingen aan het adres van de koning en het feit dat hij tijdens de revolutie meerdere malen zijn republikeinse overtuigingen had geuit, raakte Dumas echter meer en meer vervreemd van de regering en werd hem zelfs te kennen gegeven dat het goed voor hem zou zijn om Frankrijk voor een tijdje te verlaten, wat hij deed door een rondreis in Zwitserland te maken. De breuk zou echter niet blijvend zijn en Dumas zou een hechte band met de hertog van Orléans onderhouden tot aan diens dood in 1842.

Dumas oogstte tijdens deze periode nog veel successen, o. a. met de stukken Antony (1831), dat honderddertig maal werd hernomen, en La Tour de Nesle (1832). De successen betekenden ook een verandering van levensstijl voor de jonge schrijver. De moeder van zijn zoon, Cathérine Labay, had hij ondertussen al verlaten voor andere avontuurtjes. Hij maakte goede sier, kleedde zich excentriek en maakte vele reizen. In 1840 huwde hij dan de actrice Ida Ferrier, naar men zegt op aansporen van de hertog van Orléans of via financiële manipulaties. Het huwelijk betekende echter in niets een verandering van Dumas’ levensstijl. De nieuwe mevrouw Dumas ging zelfs ver van haar echtgenoot wonen, in Italië.

De romanschrijver

Dumas stelde zich echter niet tevreden met toneelschrijven alleen. Zijn ongebreidelde verbeeldingskracht en strijdlust spoorden hem ertoe aan om zich ook op de roman toe te leggen. Dumas legde zich echter in eerste instantie niet toe op de roman, maar op de geschiedschrijving. Ook in deze discipline bleef Dumas’ kunde en wist hij tot de kern van de zaken door te dringen.

Een van Dumas’ eerste pogingen tot een roman was Le capitaine Paul (1838), een herwerking van een van zijn toneelstukken, dat hij als feuilleton in een krant liet verschijnen. In de periode 1839-1841 werkte Dumas met enkele vrienden aan een achtdelige verzameling essays over beroemde criminelen en misdaden uit de Europese geschiedenis, waarin essays zaten over o. a. Cesare en Lucrezia Borgia, maar ook over meer recente personen zoals Karl Ludwig Sand.

De aandacht voor geschiedenis vindt men ruimschoots terug in Dumas’ meest bekende romans. Via zijn vriend, de dichter Gérard de Nerval, maakte Dumas in 1839 kennis met de geschiedenisleraar Auguste Maquet (1813-1888). Beide mannen sloten een overeenkomst tot samenwerking, waarbij Maquet de nodige stof voor de romans zou leveren en Dumas de feiten op zijn levenskrachtige manier in de vorm van een roman zou gieten. Het eerste product van de samenwerking was de grootse roman Les Trois Mousquetaires (De drie musketiers) (8 delen, 1844), gebaseerd op de memoires van d’Artagnan geschreven door Gatien de Courtilz de Sandras. De roman vertelt de avonturen van d’Artagnan, Athos, Porthos en Aramis, die het samen opnemen voor Anna van Oostenrijk tegen kardinaal de Richelieu. De bewonderaars van deze roman werden verblijd met twee vervolgen, Vingt Ans Après in 1845 (Twintig jaar later) en Le Vicomte de Bragelonne ou Dix ans plus tard uit 1848 (De burggraaf van Bragelonne of tien jaar later), waarvan het derde en laatste deel, De man in het ijzeren masker, het meest bekende is. Het succes van De drie musketiers was overweldigend, zozeer zelfs dat men Dumas vroeg of het ook op toneel mocht worden vertoond. Dumas stond er eerst weigerachtig tegenover door verscheidene toneelmislukkingen die hij geleden had. Uiteindelijk gaf hij toch toe, grotendeels onder impuls van geldgewin.

Meteen na De drie musketiers, in 1844-45, publiceerde Dumas een ander succesvol werk: Le Comte de Monte-Cristo (ook gespeld als Monte-Christo) (Nl: De graaf van Monte-Cristo) (12 delen). Tijdens het schrijven van deze roman had Dumas een nieuwe bevlieging: hij moest en zou een kasteel hebben dat de naam Monte-Cristo zou dragen. Aldus geschiedde: het kasteel verrees in Le Port-Marly (departement Yvelines).

Bijna even bekend zijn de romans behorende tot de Valois-cyclus. Deze omvatten o. a. La Reine Margot (Koningin Margot) (6 delen, 1845), La Dame de Monsoreau (8 dln, 1846) en Les Quarante-cinq (10 dln, 1847-48). De meeste van Dumas’ romans verschenen in meerdere afleveringen in de Parijse kranten, met de bedoeling een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Dumas was, samen met Eugène Sue, een van de meesters van de feuilletonroman.

De samenwerking tussen Dumas en Maquet was dus ongetwijfeld een zeer succesvol partnerschap, waarbij Maquets geschiedkundig onderzoekwerk de basis vormde voor Dumas vertelkunst. Dumas was een onvermoeibaar werker en daardoor volgden in een zeer korte periode de boeken elkaar op. De populariteit van Dumas zorgde voor heel wat afgunst. Zo werd Dumas bekritiseerd in het werk Alexandre Dumas et Compagnie, Fabrique de Romans, geschreven door J. Jacquot onder het pseudoniem Eugène de Mirecourt. Dumas werd erin afgeschilderd als een reclameman, die geld verdient ten koste van andere hardwerkende schrijvers. Daarbij deed de schrijver echter groot onrecht aan de creatieve inbreng van Dumas, die van groot belang was voor de uiteindelijke verhalen. De grote lijnen van de verhalen werden geleverd door Maquet of andere schrijvers, maar het was Dumas die de verhalen van leven voorzag door details en dialogen toe te voegen.

Dumas’ grote productie is deze periode is grotendeels te verklaren vanuit zijn kostelijke levensstijl. Hij had vele minnaressen en leefde op grote voet. De bouw van zijn kasteel, het Château de Monte-Cristo, was eveneens een dure aangelegenheid. Bovendien vulde Dumas het kasteel met een grote schare klaplopers die er enkel op uit waren om van Dumas en diens geld te profiteren. Deze roekeloos dure manier van leven liet hem uiteindelijk bekaaid achter. Ook zijn eigen theater, het Théâtre Historique, moest zijn deuren sluiten.

Dumas en de politiek

Dumas maakte ook enkele buitenlandse reizen, gecamoufleerd als regeringsopdrachten, wat voor nogal wat ophef zorgde in de pers. Zo reisde hij o. a. naar Spanje, Algerije en Tunis.

Dumas was zeer eerzuchtig en zocht erkenning op verschillende vlakken. Zo dong hij gretig naar een plaats in de Académie française en naar een zetel in de Assemblée nationale. In het revolutiejaar 1848 wilde Dumas ook een rol spelen in de politiek. Hij stichtte het politieke en historische blad Mois en hield verkiezingsredes voor een plaats in de Kamer voor het departement Yonne.

Een jaar na de staatsgreep van 1851 besloot Dumas om uit te wijken naar de Belgische hoofdstad Brussel, o. a. om aan zijn schuldeisers te ontsnappen, maar ook omdat hij als republikein niet in de gunst stond bij de nieuwe keizer Napoleon III. Lang hield hij het echter niet uit in Brussel. Hij keerde eind 1853 terug naar Parijs en stichtte een krant, Le Mousquetaire. Dumas trachtte zijn zoon te overreden mee te schrijven voor de krant, maar deze weigerde. Zijn zoon leefde in deze periode terug bij zijn moeder en waren eigenlijk twee verschillende personen, hoewel ze goed met elkaar opschoten. De jongeman had ondertussen zelf al roem vergaard met La Dame aux Camélias en was van plan zijn eigen weg te banen, zonder hulp van zijn vader. De Mousquetaire overleefde slechts tot 1857, mede doordat Dumas zich alweer had omringd met een schare profiteurs die weinig bijdroegen aan het blad.

In 1858 ontvluchtte Dumas Parijs en de tegenslagen die hij er had geleden en maakte hij verschillende reizen, o. a. naar Rusland en Finland. Hij reisde ook naar Italië om er deel te nemen aan de onafhankelijkheidsstrijd van Garibaldi. Hij stelde zelfs zijn fortuin ter beschikking van de Italiaanse onafhankelijkheidsstrijder om wapens te kopen. Als beloning bezorgde Garibaldi hem en benoeming als museumdirecteur in Napels. Na zijn vierjarig verblijf in Napels keerde Dumas terug naar Parijs.

Vanaf dan verzwakten de krachten van Dumas en taande ook zijn succes. Zijn stukken en romans boetten aan aantrekkingskracht in, o. a. door het toen heersende realisme. Hij trachtte zich nog vast te klampen aan zijn vergane roem via allerlei nieuwe wegen, maar zonk uiteindelijk toch weg in een soort teruggetrokken berusting. Hij overleed in 1870 in Puys in het huis van zijn zoon.