Albert Camus

Albert Camus (Mondovi, Algerije, 7 november 1913 - Villeblevin, 4 januari 1960) was een Frans filosoof en schrijver. Hij was naast Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir een van de leidende figuren van het existentialisme en kreeg in 1957 de Nobelprijs voor de literatuur.

Vroegere jaren

Albert Camus werd geboren in een Frans-Algerijns (pied noir) gezin. Zijn moeder was van Spaanse afkomst. Zijn vader, Lucien, stierf in de Slag bij de Marne in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog. Camus leefde in armoedige omstandigheden tijdens zijn jeugd in Algiers

In 1923 werd Camus toegelaten tot een lyceum en uiteindelijk tot de Universiteit van Algiers. Maar hij kreeg tuberculose in 1930, wat een eind maakte aan zijn voetbalcarrière (hij was keeper van het universiteitsteam) en hem dwong zijn studies in deeltijd voort te zetten. Hij nam allerlei baantjes aan, waaronder privéleraar, automonteur, en bij het Meteorologisch Instituut. Hij volbracht zijn licence de philosophie in 1935; in mei 1936 presenteerde hij succesvol zijn stelling op Plotinus, Néo-Platonisme et Pensée Chrétienne voor zijn diplôme d'études supérieures.

Camus werd lid van de Franse Communistische Partij in 1934, waarschijnlijk te meer omdat hij bezorgd was over de politieke situatie in Spanje (wat uiteindelijk zou leiden tot de Spaanse Burgeroorlog) dan dat hij de Marxistisch-Leninistische doctrine verdedigde. De onafhankelijk-denkende Algerijnse Communistische Partij (PCA) werd in 1936 opgericht. Camus deed mee met de activiteiten van Le Parti du Peuple Algérien, waardoor hij in de problemen kwam met zijn metgezellen van de communistische partij. Het resultaat hiervan was dat hij een Trotskist werd genoemd, wat hem niet geliefd maakte bij het communisme.

Hij trouwde in 1934 met Simone Hie, maar dat huwelijk werd beëindigd door toedoen van Simone's verslaving aan morfine. In 1935 richtte hij Théâtre du Travail (hernoemd Théâtre de l'Equipe, in 1937), welke standhield tot 1939. Van 1937 tot 1939 schreef hij voor een socialistische krant, Alger-Republicain, en zijn werk bevatte ook een stuk over de armoedige woonomstandigheden van de Arabieren die in Kabyles leefden, wat hem waarschijnlijk zijn baan kostte. Van 1939 tot 1940 schreef hij kort voor een vergelijkbare krant, Soir-Republicain. Hij was uit het Franse leger gezet vanwege zijn ziekte.

In 1940 trouwde Camus met Francine Faure en begon hij te werken voor het tijdschrift Paris-Soir. In de eerste fase van de Tweede Wereldoorlog, was Camus een pacifist. Hij was echter getuige in Parijs van de overname van de Wehrmacht. Op 19 december 1941 was Camus getuige van de executie van Gabriel Peri, een gebeurtenis waarvan Camus later zei dat het zijn opstandigheid tegen de Duitsers kristalliseerde. Daarna verhuisde hij met de rest van de werknemers van Paris-Soir mee naar Bordeaux. In dit jaar voltooide hij zijn eerste werken, De vreemdeling en De mythe van Sisyphus. Hij keerde kort daarna voor kort terug naar Oran, Algerije in 1942.

Literaire loopbaan

Tijdens de oorlog voegde Camus zich bij een groepering in het Franse Verzet genaamd Combat, die in het geheim een krant publiceerde met dezelfde naam. Deze groepering werkte tegen de Nazi's, en tijdens zijn lidmaatschap kreeg Camus de bijnaam "Beauchard". Camus werd redacteur van de krant in 1943 en toen de geallieerden Parijs bevrijdden, werd Camus geïnformeerd over de laatste gevechten. Hij verliet Combat in 1947, toen het een commerciële krant werd. Vanaf hier kwam hij in contact met Jean-Paul Sartre.

Na de oorlog maakte Camus deel uit van Sartre's omgeving en bezocht hij regelmatig Café de Flores op de Boulevard St. Germain in Parijs. Camus tourde ook door de Verenigde Staten om lezingen te houden over het Franse existentialisme. Hoewel hij op de linkse politiek leunde, verkreeg hij geen vrienden in de communistische partijen met zijn sterke kritieken op de communistische doctrine en vervreemdde hij uiteindelijk ook van Sartre.

Toen in 1949 zijn tuberculose terug keerde leefde hij 2 jaar in afzondering. In 1951 publiceerde hij De mens in opstand, een filosofische analyse over opstand en revolutie, waarmee hij zijn afkeer van het communisme verduidelijkte. Het boek zorgde voor veel controverse onder zijn collega's en tijdgenoten in Frankrijk en leidde tot de uiteindelijke breuk met Sartre. De strenge ontvangst maakte hem depressief en hij begon in plaats daarvan toneelstukken te vertalen.

Camus' meest kenmerkende bijdrage aan de filosofie was zijn idee van het absurde, die inhield dat het leven geen betekenis of bedoeling heeft. Hij legt dit uit in De mythe van Sisyphus en nam het op in vele van zijn andere werken. Sommigen vinden dat Camus beter omschreven kan worden als een absurdist dan als een existentialist.

In de jaren 50 wijdde Camus zijn inspanning aan de rechten van de mens. In 1952 stopte hij met zijn werk voor UNESCO omdat de VN Spanje (onder leiderschap van Generaal Franco) als lid accepteerde. In 1953 was hij één van de weinige linkse politici die de methodes van de Sovjets bij het staken van arbeiders in Oost-Berlijn bekritiseerden. In 1956 protesteerde hij tegen vergelijkbare methodes in Hongarije.

Hij handhaafde zijn pacifisme en verzet tegen de doodstraf overal in de wereld.

Het begin van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog in 1954 leidde tot een moreel dilemma voor Camus. Hij identificeerde zich met de pied-noirs en verdedigde de Franse regering. Hij verdedigde de Franse overheid omdat de opstand van de Afrikaanse kolonie van het Noorden werkelijk een integraal deel van een nieuw Arabisch imperialisme was, dat door Egypte werd geleid en er werd een anti-westelijk offensief opgezet door Rusland om Europa te omringen en de Verenigde Staten te isoleren. Hoewel hij een grotere Algerijnse autonomie of zelfs federatie goedkeurde, al dan niet in volledige onafhankelijkheid, geloofde hij dat de pied-noirs en de Arabieren in vrede konden samenleven. Tijdens de oorlog bepleitte hij een bestand dat de burgers zou sparen, maar dat door beide partijen werd verworpen omdat ze het als dwaas beschouwden. Achter de organisatie om begon hij heimelijk voor gevangengenomen Algerijnen te werken die de doodssanctie onder ogen zagen.

Van 1955 tot 1956 schreef Camus voor L'Express. In 1957 werd hem de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend, officieel niet voor zijn roman De val, het voorafgaande jaar gepubliceerd, maar voor zijn schrijven tegen de doodstraf in het essay Réflexions sur la Guillotine. Toen hij met studenten van de Universiteit van Stockholm sprak, verdedigde hij zijn duidelijke inactiviteit in het Algerijnse vraagstuk en verklaarde dat hij ongerust was over wat er met zijn moeder kon gebeuren die nog in Algerije leefde. De Franse linkse intellectuelen gebruikten dit als een ander voorwendsel om hem te verbannen.

Zijn grafsteen

Camus overleed begin 1960 bij een auto-ongeluk bij Sens toen hij onderweg was naar Nederland voor een lezing. De chauffeur van de Facel Vega was eveneens zijn uitgever en goede vriend Michel Gallimard die ook omkwam bij het ongeluk. Camus werd begraven op de begraafplaats van Lourmarin, Vaucluse, Provence-Alpes-Côte d'Azur, Frankrijk. Zijn voortbestaan wordt verzorgd door zijn twee kinderen, Catherine en Jean, die de auteursrechten van zijn werk hebben.

Absurdisme

Camus wordt over het algemeen gezien als de grondlegger van het absurdisme, een filosofie die gerelateerd is aan het existentialisme. Volgens het absurdisme zijn mensen fundamenteel irrationeel en is het menselijk lijden het resultaat van vergeefse pogingen door individuen om reden of betekenis in de absurde kloof van het bestaan te vinden.

Camus beweerde dat de enige ware filosofische vraag die van zelfmoord was. Namelijk, Zouden wij ons intensief bezig moeten houden met het leven of zouden wij ons eenvoudig moeten doden? Camus beargumenteerde dat historisch gezien de meeste mensen of geloofd hebben dat het leven zonder betekenis is en concludeerden ten gunste van zelfmoord, of een soort kunstmatige betekenis zoals godsdienst gecreëerd hebben om hun leven te vullen. Camus beweert dat er ook een derde optie is: wij kunnen realiseren dat het leven zonder betekenis is en niettemin onszelf in leven houden. Mensen die voor deze derde optie kiezen zijn absurde helden.

De Rebel, de Don Juan en de Artiest zijn drie figuren die Camus identificeert als absurde helden. Elk van deze mensen vindt betekenis in zijn of haar bezigheden/leven. Zij leven zo het voorbeeld van het Grieks mythologische figuur Sisyphus, die werd veroordeeld tot het voor eeuwig omhoog rollen van een kei op een heuvel, volledig bewust van het feit dat de kei simpelweg weer naar beneden zou vallen zodra hij zijn taak schijnbaar had beëindigd.

Werken

Romans
  • 1942 - De vreemdeling (L'Étranger)
  • 1947 - De pest (La Peste)
  • 1956 - De val (La Chute)
  • 1970 - De gelukkige dood (La Mort heureuse) (eerdere versie van De Vreemdeling, postuum gepubliceerd)
  • 1995 - De eerste man (Le premier homme) (incompleet, postuum gepubliceerd)

Korte verhalen
  • 1957 - Koninkrijk en ballingschap (L'exil et le royaume)
  • 19?? - De gast (L'Hôte)

Toneel
  • 1950 - De rechtvaardigen (Les Justes)

Non-fictie
  • 1942 - De mythe van Sisyphus (Le Mythe de Sisyphe)
  • 1951 - De mens in opstand (L'homme révolté)

Boeken over Camus

  • Bakker, Dr. R.: Albert Camus, 1966
  • Pinnoy, Dr. Maurits: Albert Camus, 1972, ISBN 90-264-3028-0
  • Verrips, Ger: Albert Camus - een leven tegen de leugen, 1997, ISBN 9050183514